Gedichten

 de sekspustels

I
ze nam me apart, na de les,
onze lerares verzorging.

legde een hand op mijn arm
en sprak
het zorgvuldig uit in mijn gezicht:
dermatoloog.

en ze keek alsof het haar pijn deed,
alsof het haar speet.
want je kon een talglaag ook zien
als een glimmend jasje.
als een lach.

II
het bezoek aan poppodia.
je acne bezweet, weerspiegeld
in een plastic glas bier.

de muziek, drie woedende akkoorden
vol distortion.

geen garderobe.

en de meisjes, jong,
achteloos geil. hun ongebroken huid.
een belofte, op afstand.

72 maagden met arafatsjaaltjes.

III
in ziekenhuizen ingedeeld
bij dezelfde poli als de soa’s.

trui uit.

die handschoen op je borstbeen,
tegen je wang.

zijn hoofd ver in de personal space
van mijn felle infecties.

de pillen die je slikte als een junk.

IV
ze namen je apart, na de les,
in het fietsenhok.

twee duwden je tegen een muur,
de derde pakte uit z’n tas

een meter schuursponsjes.
een kuipje groene zeep.

zou dit dan werken, dacht ik

ze bleven komen

deze bomgordel is ongeschikt voor kinderen jonger dan drie

I
ze spelen terroristje op het schoolplein.

het is groep 8 tegen de rest,

de meisjes kijken toe.
het maakt ze niet uit wie er wint,

gelaatsbedekking is sinds kort verboden.

de prijs van een speelgoedkalasjnikov
ligt hoger dan van een echte.

ze vouwen straaljagers
van hun plakboek.

II
de stoersten hadden het
als eerste gezien.
het ging rond.

ik hoorde het bij scheikundeles,
het 5e uur.
op internet
circuleert een onthoofdingsfilmpje.

reality-tv moet je zien
om erover mee te kunnen praten.

in de mediatheek heerste een verbod.

ik haastte me naar huis die middag.

wij hadden net zo’n zaag in de garage.

III
de bel gaat, kampen breken op.
vanmiddag na school
weer verder.

de afspraak is
tijdens begrijpend lezen
geen aanslagen.

kraaien pikken door de resten
van de pauze.

als het buitenlicht uit is

I
de achtertuin groeit
tegen het tentdoek aan,

de bekende plek lijkt groter,
’s avonds laat. geheim.
we sluipen rond het huis,

zij en ik

ze daagt me uit
tegen de trotse rode beuk te plassen.
dit durf ik niet.

II
we hebben een knuistje snoep
uit de trommel gegapt
vanmiddag.

voor ons, jeugdige kampeerders,
wordt een oogje toegeknepen.

we verdelen de maaltijd.

ik eet giechelend een autodropje
van haar uitgestoken tong.

III
mijn moeder komt nog even kijken
of alles goed gaat.
het buitenlicht gaat uit.

we fluisteren achter de dichte rits.

kruipen naast elkaar
op een luchtbed,

we snappen niet precies
hoe het moet.

ze steekt haar tong uit
zonder dropje.

Geplaatst in Gedichten en getagd met .