Richard Klapwijk (Rotterdam, 1965) Was docent Nederlands op een vmbo-school in Rotterdam-Zuid. Is lang geleden aan het schrijven geraakt door zijn eigen docent Nederlands op de middelbare school. Volgde ooit een SKVR-poëzieworkshop bij Rien Vroegindeweij. Schrijft graag gedichten over landschap en verbeelding. Stond eerder op Meander.
–
Scheppen opgeruimd, houwelen ingepakt, buizen
begraven, zelden zwijgt de tijd zo zichtbaar
als vandaag, op ongeschreven plaatsen valt hemelwater
waar de dennen zijn uitgegroeid tot forse bomen.
–
Het landschap uitgetekend, de horizon uitgerekend,
Op de grens van zand en water grijnzen drakentanden.
De dag is niet altijd helder genoeg voor zand
en luchtkastelen, men ziet de woorden morgen zuiver
–
ondergronds, een kalme rivier van herinnering en heden.
Gisteren het langzaam ruisen gehoord, langs pompen,
raderen en buizen onder een vloer van gras en zand,
machine voor de fantasie, regenwater dat door duinzand
–
is gefilterd, fazanten en netels verdichten landinwaarts
tot feiten en betekenissen, de geur van natte stenen.
Omdat dennenhout kraakt voordat het breekt.
Voor Lynn
–
Saai zijn de dagen dat je niet hoeft te jagen
Geen oeros of hert loopt door de straat
–
Alleen een buurvrouw die vuilnis buiten zet
Alsof zij een offer brengt aan onbekende goden.
–
De lucht ruikt niet naar bloed en houtvuur,
Maar naar rubber en warm asfalt
–
Ik wacht op een kudde, op het geritsel van hoeven
Op ogen die glanzen in het schemergras
–
Maar het enige wat nadert is de postbode
Met een folder van een supermarkt
–
Waarin herten in plakjes en paddenstoelen
Die vegetarisch zijn gemaakt
–
Hitte zindert, ik kruip in mijn zwembroek
Onder de struiken in de speeltuin
–
Waar niemand mij vindt en de wind nog praat
In de taal van de eerste jagers.
–
Later hing het licht anders,
Alsof de grond een geheugen droeg
Dat niet met woorden werkte.
–
De heuvels lagen er nog, maar schuiner
In hun zwijgen. Steen had iets ingehouden,
Een soort oud ademhalen.
–
Tijd kroop er traag doorheen,
Niet als uren, maar als restlicht
Dat nergens meer heen hoefde.
–
We liepen er zonder het te merken:
Het land was bezig
Zichzelf opnieuw te lezen.
–
En telkens wanneer de wind
Een richting probeerde, viel er
Een stilte terug die ouder was dan wij.
–
Het landschap sprak pas later,
In de echo van onze voetstappen,
Alsof het ons wilde uitleggen
–
Wat we al die tijd over het hoofd hadden gezien.

