LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Klaske Havik – Benader

10 aug 2026

Pretentie op bordkarton

door Peter Vermaat




Ik verzin het echt niet zelf.

Winternacht

ik loop door lege straten langs
gesloten winkels in de stille witte stad
de nacht is licht en vol van maan

ik zie op een hoek bij verlichte ramen
een gestalte staan, lang en zwijgend.
ik herken, loop op hem af, omarm.

[p. 59]

Dus.

Blijkbaar moet de lezer zich nu gaan afvragen wie die gestalte is (waarschijnlijk een bekende, want hij wordt herkend en vervolgens omarmd) en de poëtisch ervaren en begaafde lezer moet zich vervolgens gaan afvragen waarvoor (of voor wie) die gestalte ‘symbool staat’. De vader? De geliefde? De dood? Enfin, het mijmeren kan beginnen. Maar laten we eens wat nauwkeuriger lezen. Na ‘ik zie’ volgt een gestalte, ‘lang en zwijgend’. Dat is knap, dat je ziet hoe iemand zwijgt. Ik zou er mijn gehoor voor nodig hebben. Bovendien weten we sinds r. 2 dat we ons in een ‘stille witte stad’ bevinden en daar zou een babbelende gestalte op een hoek toch meteen opvallen. Dat heeft de dichter uiteraard ook bedacht – want er is een hoop bedacht in deze bundel, waarover later meer – en daarom moet de gestalte als expliciet ‘zwijgend’ worden waargenomen en beschreven. Voegt dat woord iets toe aan de betekenis? Nee. Voegt het iets toe aan klank, aan ritme, aan raadsel? Allerminst. Na deze zes regels weten we nauwelijks meer dan voordien en het had ons een enkele schouderophaal gescheeld. Ik denk dat weinigen poëzie lezen vanwege de lichaamsbeweging. Hebben we iets over het hoofd gezien? Mogelijk een Hopper, maar die is door de laatste regel om zeep geholpen. Toch iets gemist dan?

Jazeker, want deze bundel is zeer zorgvuldig opgebouwd en de dichter wil de lezer graag beetnemen:

Zomernacht

het is laat maar nog licht, de mist
die vanochtend boven zee hing
valt over de daken

de stad is een feest als de straten
verlaten zijn en er een onbestemde
geur van vrijheid in de lucht hangt

[p. 15]

Dat kan uiteraard geen toeval zijn, dit pendantgedicht. Ook hier zijn de straten verlaten – eindrijm wordt beginrijm en de dichter verkneukelt zich van pure brille – en is het licht en … maar wacht eens: ‘de mist (…) valt over de daken’. Hier wordt een meteorologische circusact opgevoerd en het is geen handstand van een weervrouw op een regenboog. Wanneer het laat is, maar nog licht, kan het niet anders of de zon staat laag aan de hemel (zelfs in de streken van de middernachtzon), maar in dat geval brengt de mist ook een flinke schemering met zich mee. Waarom is die mist eigenlijk nodig?
Ik vermoed dat hij de lezer moet worden aangesmeerd, als een symbool. Een ondoorzichtige sluier die ‘over de daken’ valt moet wel iets ‘diepers’ betekenen en jawel hoor, ‘een onbestemde/geur van vrijheid in de lucht’, het is de mantel der liefde die alle aanstaande losbandigheid gaat bedekken in ‘de stad [die] als een feest’ is.
Er is nog iets met die mist. Wanneer het inderdaad dezelfde mist is die volgens r. 2 ‘vanochtend boven zee hing’ is er sprake van zeemist en zoals alle weerkundigen je kunnen vertellen, ontstaat die juist door een combinatie van warme lucht boven een koud wateroppervlak. Een klimmende zon kan daarmee niet anders dan korte metten hebben gemaakt en dus is die avondmist pertinent niet dezelfde als de vermelde ochtendmist.

Boeien! De dichter mag toch verzinnen wat zij wil? Vanzelfsprekend. Er is geen eis van waarheid aan een gedicht te stellen (wel van waarachtigheid overigens) en alles wat een dichter schrijft, mag bedacht zijn.
En dat is het overwegende probleem van deze bundel: alles is zo verschrikkelijk bedacht. In ‘Stadsrand’ (p. 30) is sprake van ‘gevallen esdoornbladeren’ en jawel hoor, onderaan de pagina staat ‘Ottawa’. In ‘Ogentroost’ (p. 21) wordt Bergson opgevoerd om – compleet met verantwoording op p. 65 – het optreden en duiden van ‘herinnering’ in een gekrulde en met goudverf bestreken lijst te hangen, in plaats van de taal haar werk te laten doen en op te roepen wat er niet zijn kan, maar ontegenzeggelijk toch is. Vervolgens lijmt Havik op p. 58 nog eens Hans Andreus op haar papier.

Waar komt toch die drang vandaan om de lezer behalve deze bundel ook nog eens de Teleac-cursus ‘Cultuur van onze tijd’ in het oog te wringen. Waarom moet ik weten dat Andreus gekend, Bergson gelezen en Herzog bekeken wordt, terwijl het lezen van Suske & Wiske op p. 11 en het luisteren naar de opera De Vier Pierlala’s op p. 50 voor alle lezers verborgen wordt gehouden? Wat zou er ontbreken wanneer je als kennelijke expert op het gebied van architectuur je indrukken, wederwaardigheden, dagboekfragment en desnoods je emoties weergeeft in een boekje, wellicht geïllustreerd met eigen foto’s, zonder dat je zo verschrikkelijk je best doet om voor ‘dichter’ door te gaan? Mogelijk is de verklaring hier te vinden: ‘het ging erom, in een wereld / van beton en hout en staal /de woorden zó te brengen, dat taal / er onvermijdelijk een plek kreeg / (…) als waarheid net zo waar / als het beton’, schrijft Havik in ‘Rede’ (p. 43). Het is een

CONCEPT

We gaan niet alleen bouwen met beton en hout en staal, maar ook met TAAL. We gaan ons niet afvragen hoe we dat gaan aanpakken, we stropen de mouwen op, we poneren gewoon dat we het doen en dan IS het er.
Opvallende afwezige hier is overigens de natuursteen. En daarin ligt ook de kern van de mislukking van deze bundel. In plaats van de ogen van de lezer te richten op sprekende rotsformaties en de taal met klank en ritme zijn eigen betovering te laten uitvoeren, wordt de lezer meegedreind van de enige hoekige ikkigheid na de andere.

Ondergronds

we dalen af in de buik van de stad
langs lange steile trappen naar
donkere vloeren in de peilloze schacht

lampen verlichten het diepe zwart
waarin bouwvakkers als mijnwerkers
boren en bouwen op toekomstige perrons

de tunnels als aderen, lege buizen
waardoor later de metro’s rijden
stromend, stoppend, stromend

elk uur elke tel elke dag
als het pompende bloed van de stad
van de stad van de stad


Budapest

[p. 28]

Hoe mislukt een gedicht? Nou, zo.
Begin met een paar clichés: ‘buik van de stad’ (die buik zou de borst moeten zijn, maar daarover later) en ‘peilloze schacht’ (nog los van het feit dat een schacht geboord is en daarom zijn diepte bij uitstek gepeild is) en voeg daar een contradictie aan toe: ‘lampen verlichten het diepe zwart’ (wanneer het diepe zwart wordt verlicht is het niet langer diepzwart). Voer vervolgens bouwvakkers aan die worden vergeleken met mijnwerkers, maar nu juist het omgekeerde doen. Mijnwerkers graven immers gangen om naar boven te halen wat in de ondergrond zit, terwijl het deze bouwvakkers juist te doen is om het graven en boren van tunnels en het wegwerken van het gesteente dat hen daarbij ‘in de weg zit’. Maak dan opeens de omslag naar de metafoor ‘tunnels als aderen’ als fungeert het metrostelsel als bloedbaan onder de stad, ‘buizen/ waardoor later de metro’s rijden’ (een taalfout, ‘metro’ is enkelvoud voor het systeem van ondergrondse treinen in een stad), doe net alsof het beeld de eigenschappen heeft van dat waarvoor het symbool staat (namelijk bloed in (slag)aders dat ‘stromend, stoppend, stromend / elk uur elke tel elke dag’ (helaas: met een bloedsomloop als de dienstregeling van de metro word je niet oud) en besluit met zo ongeveer het enige klanktrucje in deze hele bundel: ‘van de stad / van de stad van de stad’ – ta-da-dam ta-da-dam ta-da-dam en de oplettende lezer hoort de evocatie van de hartenklop. Wel jammer dat we in de buik zijn afgedaald en ons dus ergens in de blindedarm bevinden, niet waar het hart in de borstholte klopt.
En ook jammer dat het er voor de oplettende en ervaren poëzielezer zo ostentatief is neergezet.

Ten slotte de vraag: “waarom staat hier ‘Budapest’ onder?” Het meest voor de hand liggende antwoord zal zijn: ‘omdat de auteur dit in die stad heeft meegemaakt, gezien, geschreven.’ Lekker belangrijk. Het kan immers overal spelen waar er aan de ondergrondse gewerkt wordt en zelfs die plaats doet er niet toe wanneer je als dichter een metrostelsel zo graag wilt neerzetten als de bloedsomloop van een stad. Hoe kunstmatig dat dan vervolgens weer is.

Naar mijn idee is het allemaal te pretentieus, ligt het zo nodig ‘poëzie’ willen maken er steeds te dik bovenop om overtuigend en waardevol te kunnen zijn. Begrijp me niet verkeerd: de auteur zal ongetwijfeld het nodige tot zich hebben genomen aan gedichten, essays, biografieën en voor mijn part een paar jaargangen schrijversvakschool, maar ondanks dat – of wellicht juist daardoor – lijkt de essentie van de poëzie uit het zicht geraakt. Een gedicht is gemaakt van taal en wat mij betreft weerbarstig en als stenen op je maag liggend, maar steeds en blijvend ongrijpbaar, altijd meer en groter dan wat je letterlijk leest en liefst ook zo schurend dat je er onontkoombaar wat van je eigen huid aan verliest.
Maar geen dagboekpassages over bestudeerde middagwandelingen na uitgelezen conferenties tussen museale architectuur, over ‘(…) mijn hut een plek om te denken / de dagen zonder internet en zonder tijd / de rij voor het ontbijt, de ingemaakte haring / zalm en ei en roggebrood, de kust / van Zweden in een verte (…)” (Overtocht, p. 51). Wees eerlijk, ogenblikken later hang je over de reling en voer je dit eiwitrijk dieet aan de vissen.

‘De bundel voert langs landschappen, steden en gebouwen – plaatsen van herinnering, verbeelding en benadering: dichten is dichtbij brengen. Elke beschrijving is een benadering – het is een dichtbij komen op een manier die niet definieerbaar is, maar doorvoeld,’ beweert iemand namens de uitgever op FB en ook dit opgeklopte eiwit is al ingezakt voor je de laatste punt bereikt hebt.
De foto op de voorkant van de bundel bevalt me nog het meest. Vermoedelijk gaat er in Klaske Havik wel een fotograaf van enige betekenis schuil, maar als je het mij vraagt geen dichter.
____

Klaske Havik (2026). Benader. Uitgeverij Van Oorschot, 71 blz. € 20,00. ISBN 9789028264182

     Andere berichten