Wezenlijke nabijheid
door Anneruth Wibaut
–

–
Tintelend van verwachting opende ik de tweede bundel van Joost Baars. Ik herinnerde me dat ik geraakt was door Binnenplaats, zijn debuut van negen jaar geleden, waarvoor hij de VSB poëzieprijs kreeg. Na het doorbladeren was mijn eerste indruk: intense en uitgebeende poëzie. Ik werd niet teleurgesteld, een nadere lezing bracht herkenning en ontroering. Ook sprong het vakmanschap van Baars in het oog, meteen al in het eerste gedicht laat hij zien hoe de zeggingskracht toeneemt als vorm en inhoud elkaar versterken:
maar wat is een gedicht
–
als het niet is wat er uit aarde
opkomt? iets dat je er
–
een jaargetijde geleden in
hebt neergelegd, iets
–
naar de zon, naar omhoog,
iets naar het oog, waarin
–
het zich voleinden wil,
het rooibaar worden
–
kan. en zie daar de zaaier
dan. zie hoe hij hongert
–
naar die dag. hij weet dat
het nu nog niet mag. hij
–
staat voor zijn nog onder-
grondse paradijs
–
en wacht, en ach wat wacht
hij goed! hij kijkt me aan
–
en sust me, zegt er zijn er zat
die hier alleen maar komen
–
voor de rust, geen woord-
–
en dan gebeurt het dat ik
zaailing word en er verlangen
–
naar zijn handen in me groeit,
door hem te worden toegedekt
–
met aarde en te wachten
–
op het licht der zon, te liggen
in zijn donkere, fertiele grond.
De eerste vijf strofen lees ik met het breed uitwaaierende ritme van de zaaiende hand waaruit de korrels op de akker vallen. De jamben worden niet streng gehanteerd, maar met losse pols op het papier gestrooid. Zo ondersteunt Baars wat zijn woorden zeggen, dat ze zijn als zaadkorrels. Je ziet de zaaier lopen met zijn regelmatige bewegingen en hoort hoe hij verlangt naar de oogst, zoals de dichter dat doet naar zijn gedicht.
Dan is er in strofe zes een scherpe cesuur naar een verbrokkeld ritme, aangezet door het binnenrijm en staccato van ‘kan’ en ‘dan’. De vorm versterkt wat door de woorden wordt opgeroepen: hoe de beweging is verstard en de korrels in de grond liggen. Daarna duurt ook het wachten tot er iets ontkiemt vijf strofen lang en dan is er opnieuw een cesuur. Deze keer doordat het ritme, van steeds twee regels per strofe, wordt doorbroken door één regel: ‘voor de rust, geen woord-’.
Inhoudelijk wordt hier gerelativeerd wat in de eerdere strofen werd bezongen, namelijk de overeenkomst tussen zaad en woord. Want, zo zegt de zaaier, niet iedereen komt voor het woord, velen komen alleen voor de rust. Tegelijk is er weer een perspectiefwisseling, het lyrisch ik wordt zaailing en verlangt naar de handen die hem zullen uitstrooien, en later oogsten.
De klassieke vergelijking tussen zaad en woord is vaker bezongen. Denk aan het Bijbelwoord: ‘Een zaaier ging uit om te zaaien’ en het gedicht van Werumeus Buning ‘Ballade van de boer’, met de veel geciteerde regel: ‘En de boer hij ploegde voort’. Baars verrijkt die traditie door de vergelijking persoonlijk en intiem te maken, bijvoorbeeld met zo’n toevoeging over het geduld van de zaaier: ‘en ach wat wacht hij goed!’
De bundel is opgedragen aan de in 2021 overleden moeder van Baars; Trees de Jongh-Winter, en bevat gedichten die kunnen worden gelezen als een ode aan haar en aan alle vormen van rouw. Die gaan van verdriet tot woede, zelfs van vrolijkheid tot aanvaarding. Zoals in de eerste vier strofen van het gedicht op pagina 37: ‘mijn tweede bundel is nu bijna klaar, / mama. hij gaat meer over jou / dan mijn bedoeling was, en toch / kom je er amper in / naar voren. ja er is de pijn / van je gemis, maar ik / denk niet dat de lezers na het lezen / zullen weten wie je was.’
De bundel bevat vijf afdelingen, van elkaar gescheiden door telkens een zwarte bladzijde, een benadrukking van het thema rouw. In twee afdelingen beginnen alle gedichten met de regel ‘toen ik je kwijtraakte’. Tweemaal volgt daarop: ‘de eerste keer’, tweemaal ook ‘de tweede keer’, maar aan alle andere keren is slechts één gedicht gewijd. Sterker nog: er is geen zesde, achtste, tiende of elfde keer. De bundel bevat dus geen volledige chronologie van het kwijtraken. Is dat omdat er streng geselecteerd is, zodat een aantal nummers deze publicatie niet hebben gehaald? Of wordt misschien de suggestie gewekt dat bezig zijn met verlies verwarring veroorzaakt, waardoor de ik de tel is kwijtgeraakt? Of zelfs dat chronologie er geen donder toe doet voor wie met verlies te maken heeft. Op subtiele wijze wordt ook hier door de vormgeving opgeroepen wat in principe voor elk goed gedicht geldt: het is niet een op een te duiden, maar het geeft de lezer de ruimte om zelf te interpreteren.
De twee afdelingen die beginnen met de regel ‘toen ik je kwijtraakte’ vond ik ijzersterk en al genoeg reden om deze bundel te koesteren. Ze staan barstensvol aansprekende, meerduidige en vormvaste gedichten. Vaak zijn ze direct tot de moeder gericht, zoals de uitroep op pag. 35, in de zevende strofe van een gedicht waarin een kerk wordt bezocht en een kaarsje wordt gebrand: ‘jezus ma, / wat ben je weg. elke dag, elk uur, (…)’. En dat terwijl noch de moeder, noch de zoon, geloven in een leven na de dood, zoals in een eerdere strofe vermeld staat.
Een gedicht eruit:
de twaalfde keer,
–
kon ik niet zien,
en niet meer praten,
–
was het intussen
te laat misschien,
–
had ik alleen
nog taal
–
om je te haten.
Rouw gaat niet alleen over verdriet en gemis, er komt ook woede bij kijken die tot haat kan leiden. Haat tegen een moeder die er niet meer is, of misschien opgewekt door herinneringen aan wie ze, ook, was. Door het rouwen, zo laat deze bundel zien, komen relaties en gebeurtenissen in een ander daglicht te staan. Verlies leidt tot een andere en misschien wel een wezenlijke nabijheid van degene die je bent kwijtgeraakt. En geleidelijk aan wordt het persoonlijke universeler, raakt het betrokken op situaties in de wijdere omgeving. Dan kunnen gedichten ook worden opgedragen, zoals bijvoorbeeld op pag. 53 aan ‘De Gaza Freedom Flotilla’.
Een paar gedichten in de overige afdelingen wijken qua vorm en woordkeuze sterk af. Hierin krijgt klankverwantschap een hoofdrol en zorgen spaties ook voor zeggingskracht. Als voorbeeld hiervan een fragment uit het gedicht op pag. 20:
—– maar het badende
–
—- –almaar het naderende
–
het aan de rand van de aarde
—- –genakende
En op pag. 59 staat: ‘niet in de wereld uw wezende / maar wat in het alles naar u toe bewegende (…)’. Als argeloze lezer voelde ik me in de tijd teruggezet, naar dichters als Boutens, Gezelle of Gorter. Ik las het even als een ode aan de tijd waarin de gestorven moeder misschien zelf voor het eerst met poëzie in aanraking kwam. In de ‘Aantekeningen’ achterin las ik later dat juist die ‘afwijkende’ gedichten op muziek zijn geïnspireerd of gezet en daarin vond ik nog maar weer eens de bevestiging dat een associatie die een lezer legt, niet bewust door de dichter wordt opgeroepen.
In diezelfde ‘Aantekeningen’ wordt vermeld wanneer collega-dichters worden geciteerd of geparafraseerd en wanneer muziekstukken, schilderijen of boeken over rouw als inspiratiebron hebben gediend. Het voert in het kader van deze recensie te ver om daarop in te gaan, maar die verwijzingen kunnen aanleiding geven om het afscheid nemen van deze fijne bundel nog wat uit te stellen. Ik sluit af met het laatste gedicht, op pag. 71, waarin Baars met de stem van de moeder spreekt. Hij voert de boreling ten tonele als klank, als krachtig uitgeschreeuwd ‘ja’. Zonder hoogdravendheid associeert het met het begin van het Johannesevangelie: ‘In den beginne was het Woord (…)’. Ja, de scheppende kracht van het woord.
ik weet nog hoe je in mij zat,
en toen je uit mij kwam, het was geloof
ik op een donderdag, werd heel
mijn lichaam mond, zo lag ik daar,
die ochtend, met, ja, wat zich dalend
als een kaars in mij herhaalt, en sprak
jou uit, schreeuwde je, je vlamde
op het aambeeld van de tijd, je was
mijn liefste ja, en je schreeuwde mij na.
Joost Baars (2026). Toen ik je kwijtraakte. Uitgeverij Van Oorschot, 80 blz. € 20,00. ISBN 9789028264038



