Ludo Bleys (Duffel, 1951) woont in Mechelen.
Bracht twee dichtbundels uit: Link (2019) met een herdruk in 2020 en Het schip vertrok die avond nog (2023). Hij publiceerde in verschillende tijdschriften waaronder Poëziekrant, Meander, Roer, De Schaal van Dighter en Gedicht Gedacht.
Een aantal van zijn gedichten werd gepubliceerd in de bloemlezingen Het Gezeefde Gedicht (2016), De 100 beste gedichten uit De Gedichtenwedstrijd 2023 (onder schuilnaam Rousseau), Uit de Zeef (2024) en Weet jij de wijs nog en de woorden (2025). In de verzamelbundels Het was de achtste dag (2022) en Dichtregels tegen eenzaamheid (2024) werd een gedicht van hem opgenomen, alsook in het boek Gewoon Jong, Hoe we samen een houvast kunnen zijn voor jongeren (2025).
In 2024 verscheen een interview met hem op Meander.
foto © Niek Knockaert
Op 3 oktober verschijnt zijn derde dichtbundel Pas de deux (uitgeverij P). De frontpagina – een foto van een fresco uit Pompeï – vormt een illustratie bij de titel van de bundel. Die bevat een 40-tal muziekgedichten.
Instrumentale klassieke muziek vormde meestal de voedingsbodem voor het schrijven: er volgden beelden die kristalliseerden in een gedicht. Ook de omgekeerde beweging deed zich af en toe voor: een gedicht ging dan op zoek naar een pas de deux met een muziekfragment.
Bij elk gedicht staat de muziekreferentie vermeld. In de bundel zal ook voor elk gedicht de QR-code van het muziekstuk worden afgedrukt, zodat de muziek voor de lezer gemakkelijk bereikbaar is.
Soms verduidelijkt een voetnoot het verband tussen tekst en muziek. Zo wordt er bijvoorbeeld bij het gedicht Nagelschaartje een verband gelegd tussen gebeurtenissen uit WO II, Hitler en Lohengrin van Wagner. In de meeste gevallen echter wordt er helemaal geen toelichting gegeven en is het aan de lezer om een mogelijk verband te ontdekken of te concluderen dat het hele opzet thuishoort in de wereld van de ‘allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’. Hierin heeft hij alvast het laatste woord.
Een voorpublicatie.
kermiskraam

–
Johann Strauss II (1825-1899), Napoleon-Marsch, op. 156
(Berliner Philharmoniker – Herbert von Karajan)
–
–
–
eendjes met een metalen haak in de rug
of een derde oog in de kop gedraaid
zwemmen gejaagd door de stuwing van de omloop.
veilig als ze uit het gezicht verdwenen zijn,
kinderlijk gedreven door hun korte nacht.
daarna draaien ze de hoek weer om,
komen in het vizier van wie hongert naar een prijs.
–
de pomp is de god van de kwetsbare terugkeer,
ze wakkert de angst aan en de jagersdrift.
opgevist bepaalt een verborgen nummer
of de winnaar kauwgom krijgt, de hoofdprijs
of tweemaal niets. het maakt geen verschil.
verderop loopt een held voorbij
met in zijn armen een waardeloze beer.
–
het eendje komt er met de schrik van af,
zwemt opnieuw door het kraam van klatergoud,
angstig en hulpeloos. niemand die erom maalt.
jasmijn

–
Christoph Willibald Gluck (1714 – 1787), Orfeo ed Euridice, Wq.30 / Act II: Dance of the Blessed Spirits
(Camille Thomas & Brussels Philharmonic – Stéphane Denève & Mathieu Herzog)
–
–
–
wie zijn zij geweest?
wie het kon weten is afgereisd.
niemand herinnert zich hoe de man speelde,
hoe de vrouw naar het leven keek
voor ik hen kende.
–
wat tastbaar overbleef: een mandoline.
knik in het bovenblad, klankgat met diepe leegte,
ivoren inlegwerk, zwart omkaderd.
twee ranken van witte jasmijn slingeren rond elkaar,
verslingeren zich aan elkaar.
–
de jongen met de mandoline, mijn vader
het meisje op de foto, mijn moeder
hoe vulden zij de dagen met hun jonge handen,
hoe hield een halve eeuw aan liefde stand?
–
elk instrument verzwijgt muziek.
nagelschaartje

–
Richard Wagner (1813-1883), Lohengrin, Act I: Prelude (*)
(New York Philharmonic – Giuseppe Sinopoli)
–
–
–
het is moeilijk afscheid nemen
van het nagelschaartje met zijn kromme benen
en zijn stroeve schroef. door zijn oude ogen
gleden vingers die je dierbaar waren.
–
het kwam botweg in je erfdeel terecht.
de scherpslijpers slepen scherp die tijd,
ze knipten in je huid en je onderhuid.
het schaartje verstompte met de jaren.
–
je terugblik ketst af op een roestige tijd,
op een oorlog die niet werd verteld.
een krijgsgevangene knipt zijn nagels bij
en zijn ingegroeid verdriet.
–
–
–
(*) De opera Lohengrin was onder het Naziregime één van de meest-geliefkoosde werken. Hitler beschrijft in Mein Kampf hoe een uitvoering ervan hem op 12-jarige leeftijd diep raakte: “Mijn jeugdige geestdrift voor de grote kunstenaar uit Bayreuth kende geen grenzen. Steeds weer voelde ik mij tot zijn werken aangetrokken.”



