Ariane Vergult (°1957) is een uit schaamte en humor gebeitelde Gentse vrouw, moeder, oma. Ze schrijft in de luwte sensitief poëtisch proza, brieven, monologen, dagboekfragmenten, een autobiografische gezinnenzwerftocht en ook poëzie. Ze put uit eigen leven dat nogal warrig was. Ze schuwt de moeilijker thema’s als incest, levend verlies niet. Ze maakt gebruik van symbolen uit esoterie, sprookjes, het surreële, het ritueel, de gnostiek., de mythologie. Ze schrijft omdat ze moet schrijven, ze kan niet anders. Al bijna zestig jaar durft ze geen podium op. Ze is geen performer al gaat ze frequent naar performers luisteren en benijdt ze hen. Ooit gaf ze Nederlands en zedenleer.
asemden in gekantklost ijs op enkelvoudig vensterglas
een kijkgat op de wereld:
buiten flikflooiden tortelduiven,
jongens martelden winterjuffers boven de waterput,
meisjes droegen mimiek en sjaal naar hun sneeuwman
–
nu we ouder zijn, zuiniger op mensen,
ons leven zelfreinigend bleek, onze rug verder zinkt
zijn wij uit het driest gelijk van het jong hoofd geraasd
en missen we alleen nog de hand van een goedmenende herder,
een kruisje op ons voorhoofd
om ons te bewaren voor al die nachten
vol zwervende kinderen op kousenvoeten
–
nog altijd staan we te ademen
in die pentekening van ijs,
kijken dwars doorheen het vlies van keurige etalages
naar het gestage grote verdwijnen.
in zonde gekromd, met een pomp
onder zijn weerbarstig vel
de armetierige avond vóór oudjaar
zoals nu en ik trok te voet
over de moscoubrug
–
op het hoogste punt
boven al de draden van het station
trok hij op zijn dooie eentje weg
–
had ik hem toch wat beter gekend
me minder vaak in kwel afgewend
zijn foto’s bijtijds
uit de koninklijke koekjestrommel
vervreemd
–
me wat vaker met hem bezat,
nog zouter woorden in zijn gaten gestrooid
–
ik sta nog altijd te wuiven op de brug
waar hij op het perron achter glas
een voorbijgaande schaduw
een stompje mens
een futiele onderbreking was
–
–
(30 december 2006: hij sterft)
–
op een dag, ik ben haast zeventig,
vind ik mijn nooit gezien netwerk op de stoep:
mijn vader die de klok herstelt in mijn geveltuintje,
mijn moeder die al haar lood in het goud van drie zussen omzet,
drie zussen die ze zomaar voor mij gehurkt in de tijd de wereld inperst
om memory te spelen en om me te behoeden voor het bospaadje
waar oma door een vermomde wolf nog aan het verteren is
–
jezus doet ook weer mee, hij loopt over de plassen op de stoep
met vissen onder zijn voeten, wij bestaan gezessen uit water met zout,
alle ontogenese is filogenese
poneert zus 1, de filosofe die biologe werd
tegen mij, zus 2 en zus 3
zus 3 zegt dat ze creationiste is, slaat een kruis uit speekseldraadjes
zus 2 antwoordt dat wij een goochelaarstruc zijn,
een illusie en tovert een konijn tegen de muur met haar overspelige hand
–
en ik die nooit een netwerk had, zeg
dat ze elk een beetje gelijk hebben,
tegelijk zeggen zij die al altijd zussen waren:
loser en tonen me hun langste tong
–
ik berust want op de stoep spuit moeder nu odejavel
over de plas waar ik de zussen oplossen zie als kleine luchtspiegeling,
vader stopt meteen zijn klokkenwerk,
ik kruip terug in de petieterige voetnoot van een zeventigjarige,
die weer haar freezeknop induwt:
tussen droom en daad gaapt de blueprint van een nooit uitgenodigde geboortefee

