LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Het commentaar op Anna Bijns

2 okt 2026

‘Ene Antwerpse maecht van vijftien jaren had oock wat’

door Hans Franse

–

In de late jaren zeventig richtte een groep vrouwen in Nijmegen een vrouwencafé op aan de Eiermarkt dat De Feeks heette. Het was een feministische ontmoetingsplek, een vrouwenboekhandel, een café een wijk- en rustplaats en een documentatiecentrum.

In de stad, waarvan de studenteske bovenlaag in die jaren, behoorlijk links was, (Havana aan de Waal, was de bijnaam) in tegenstelling tot de gemiddelde bevolking, zag men het zoiets als Dolle Mina dat in die jaren van de tweede feministische golf nogal spectaculair aan de weg timmerde met ludieke, maar soms keiharde acties, zoals het bezetten van urinoirs in Amsterdam door deze af te sluiten met roze linten. Mijn vrouw en ik hadden een andere weg gekozen en waren lid van de vanaf 1967 bestaande actiegroep Man Vrouw Maatschappij (MVM), opgericht door Joke Smit, die overigens veel te jong is overleden, en Hedy d’ Ancona, die meer op politieke beïnvloeding was gericht en vooral de verwachtingspatronen van mannen en vrouwen wilde veranderen. Acties als ‘Marie word wijzer’ hadden een andere insteek dan het spectaculaire ‘Baas in eigen buik’ van De Dolle Mina.

‘De Feeks’ was verboden voor mannen. Wat betekende dat de koffie, die keurig besteld werd bij de derdewereldwinkel, niet door de vriendelijke Piet Raeymakers gebracht mocht worden, maar dat een vrouwelijke vrijwilliger dat moest doen. Het was mijn vrouw die met Piet meereed van de Looijersstraat naar de Eiermark. Hij zette de dozen met koffie voor de deur, deed deze open en zette ze in de hal, waarna Andrea naar binnen ging en naar een van de vrouwen liep, over haar schouder wees, de koffie afrekende en naar buiten liep om weer met  Piet in de auto te stappen.

Gezien dat radicale, progressieve en vernieuwende in die jaren, verwonderde het mij toen dat er een Anna Bijns stichting ontstond in Amsterdam, die de Anna Bijns Prijs instelde voor het oeuvre, proza of poezie, van een vrouwelijke schrijver. Het was als als tegenhanger van de P.C. Hooft-prijs bedoeld, want die was slechts 4x aan een vrouw uitgereikt. De oprichtsters Anja Meulenbelt, (die overigens in 2025 de P.C. Hooft-prijs kreeg), Renate Dorresteijn, Caroline van Tuyll en Elly de Waard stelden dat ‘Anna Bijns verkoos zelfstandig en onafhankelijk te wonen’, wat zeer ongebruikelijk voor die tijd. De eerste prijswinnares was Josepha Mendels, waarna een reeks grote namen volgde tot de stichting zich in 2016 ophief om zich op evenementen te richten.

Volgens mij was Anna Bijns niet maatschappij vernieuwend, maar een zeer goede, conservatieve dichteres die alles wat nieuw was verfoeide, vooral de irenische Luther, de bron van alle kwaad. In refreinen met soms dwingende stockregels verzette ze zich tegen de nieuwe wereldorde. En vernieuwing was nu juist het kenmerk van de feministische actiegroepen. Eigenlijk ben ik pas via het werk van Herman Pleij, met name het boek dat hij aan haar gewijd heeft, wat nader tot haar grote kwaliteiten gekomen. Pleij vat eigenlijk alles samen in een zeer korte beschrijving:

‘(…) een zeer zelfstandige vrouw die sterk aanwezig was in het openbare leven die actief deelnam aan de georganiseerde rederijkerij, over een aanzienlijk netwerk van geestelijken en leken beschikte, professionele contacten onderhield met diverse Antwerpse drukkers en klaarblijkelijk langdurig aan de liefde leed (…)’*

Anna Bijns (1493 – 1575) werd geboren en overleed in Antwerpen. ze werd heel oud (82), zeker voor die tijd. Ze was de dochter van Jan Bijns, die een kleermakerswinkel had en in zijn vrije tijd rederijker was en van wie een refrein op Maria bekend is. Waarschijnlijk werd ze Anna genoemd, omdat Anna (de moeder van Maria, de oma van Jezus) patroon was van de kousenmakers, wat vader Jan was. Hij was een belangrijk man in de stad, die toen de belangrijkste stad van Europa was. Antwerpen met zijn schitterende ligging aan de Schelde, was het financieel-economische en culturele hart van West-Europa dat de financiële centra als Londen en Parijs naar de kroon stak. Er waren ook veel drukkerijen: het nieuwste van het nieuwste in die dagen. Elke stad van enig belang had een rederijkerskamer, die duidelijk meer was dan een vereniging van welsprekende en dichtende mannen, maar veel meer een soort plaatselijk cultureel centrum dat ook de gang van zaken in de politiek becommentarieerde en beïnvloedde en namens de stad feestelijkheden organiseerde, bijvoorbeeld als er een buitenlandse bezoeker, al of niet van adel, de stad bezocht. Hij of zij (meestal het eerste) werd dan dichterlijk  toegesproken, er werden erepoorten gebouwd, podia opgericht en manifestaties georganiseerd.

In Antwerpen waren twee belangrijke rederijkerskamers, ‘De Goudbloem’ en ‘De violier’. Het was een mannenwereld. Des te verwonderlijker is dat er op een Landjuweel (grootschalige dichtwedstrijd) georganiseerd door de rederijkerskamer ‘De Boeck’ te Brussel in 1512 ineens, tussen de 48 optredens, een meisje optreedt dat iets te berde brengt waarvan de jury, bestaande uit theologen en andere geleerde mannen, onder de indruk is en haar een extra prijs toekent: ’(…) ende ene Antwerpse maecht van vijftien jaren had oock wat (…)’. Volgens Herman Pleij moet dit Anna Bijns geweest zijn, hoewel ook de aandachtige lezer gezien zal hebben dat Anna hier 19 jaar is. Maar misschien zag ze er jong uit en nam men het niet zo nauw met de leeftijd. In ieder geval werd in de Antwerpse Sint-Joriskerk elke week één van de gedichten opgehangen: het gedicht van deze ‘maecht’ heeft er ook bij gehangen. Of Anna zo mooi was als de tekening erbij voorstelt, weet ik niet. Ze ziet eruit als een vrouw die liefde kan geven en die ook terugeist.

Een paar opmerkingen: Anna Bijns moest, nadat er wat problemen met de verdeling van de erfenis van vader Jan waren opgetreden, werken voor kost. Ze stichtte een schooltje en leerde kinderen lezen, schrijven en de kennis van de bijbel en godsdienst. Ze was hier goed in, haar kennis werd geroemd. Of we aan een schoolgebouw moeten denken of een klasje aan huis, in ieder geval ze was meesteres en genoot in die functie een zekere faam. En, ondanks het feit dat ze geen officieel lid was van een rederijkerskamer, had ze zeker haar contacten, ze zal regelmatig zijn opgetreden, en was ze goed bekend met de drukkerswereld.

Anna schreef Refreinen, gedichten van minstens 4, soms heel lange strofen met dezelfde (stok)regel aan het einde van elke strofe. Het slotcouplet werd gericht aan de ‘Prince’ wat van alles zijn kon: de aanwezige hotemetoot, de voorzitter van de kamer, maar ook een heilige of een denkbeeldige figuur. En zoals elke rederijkerskamer een motto had, zo had ook elke aan de weg dichtende rederijker een motto, voor Anna Bijns was dit: ‘Meer zuurs dan zoets’. En in dit nogal sombere motto lag toch de grote tragiek van haar leven; de politieke situatie hinderde haar, maakte haar boos , het was zuur dat haar stad Antwerpen, in plaats van onvoorwaardelijk te kiezen voor het ware geloof, de waan van de dag, het Lutheranisme, van de slechtste aller slechte mensen, verantwoordelijk voor alle euvels van deze dagen, niet actief vervolgde, maar tolerant was, geen brandstapels oprichtte maar zelfs openbare preken toestond. Het was zuur dat haar stad belegerd was door Maarten van Rossum uit Zaltbommel, een knap generaal die in dienst van de hertog van Gelre en die zich verzette tegen Karel V en pas in 1543 overwonnen werd. Maarten van Rossum (niet die ‘brontolone’**) was slecht, maar als ze moest kiezen tussen Luther en de condottiere was Maarten van Rossum toch de beste van de twee. Ze heeft met haar meesterlijk gemaakte felle refreinen het uiterste gedaan om het tij te keren, om de katholieke geestelijken ervan te weerhouden uit te treden en zelfs te huwen, iets waar Luther op stond. Ze wees er zelfs op wat een gemakzuchtig leventje ze konden leiden in het klooster, eten was er altijd, drinken ook, lichamelijke arbeid was niet nodig en je kon er veel pret hebben. Waarom dan kiezen voor een onzeker, hard bestaan? Ze was zeer bevriend met de Franciscaanse paters die haar ook hielpen met het verzamelen, redigeren en bewaren van haar teksten en steunde ze toen de kloosters ineens belasting moesten gaan betalen.

Een andere mysterieuze tragiek (‘zuurs’) wordt verondersteld: veel van de refreinen gaan over een ‘geliefde’ die haar in de steek liet. Ik vraag me af of de Dolle Mina’s zo ver zouden zijn gaan als zij als ze uitvoerig dicht wat ze allemaal zou willen doen om hem terug te krijgen. Herman Pleij, die erg in haar teksten is doorgedrongen, denkt dat het werkelijk autobiografische teksten zijn, ze moet een ongelukkige liefde hebben gehad. Ze beschrijft zelfs, en dat is gewaagd, de lichamelijke geneugten van alles: een bittere, ongetrouwde schooljuffrouw die met woede en veel verdriet terugkijkt op een mislukte liefde en daarna gedichten tegen het huwelijk en mannen schrijft. Het maakt haar sympathieker en het zou veel verklaren.

Ze was beroemd, schreef ook veel in opdracht, drukkers en paters verzamelden haar teksten en publiceerden die, in 1528, 1548 en 1567 verschenen gedrukte bundels. De eerste bundel had iets van een reclametekst, waardoor het een lange titel werd:

Dit is een schoon ende suverlijc boecxken / inhoudende veel scoone constige refereinen / vol scrifturen ende doctrinen / van diveerscen materien / na uutwisen der regelen / als hier int register na volgen / seer wel gemaect vander eersame ende ingeniose maecht / Anna Bijns subtilic en retorijckelic / refuterende inder warachticheit alle dese dolingen ende grote abusyen comende uut de vermaledide Lutersce secte. De welcke niet alleene van allen doctoren ende universiteyten mer ooc vander keyserlijcke maiesteyt rechtverdelijc gecondemneert is.

Uit deze wervende tekst blijkt dat Anna beroemd was, ze was ook bekend als Anna van Antwerpen, nog bekender als de ‘Antwerpse maagd’. Deze bundel werd meteen herdrukt en daarna tijdens haar leven nog vier keer en zelfs in het Latijn vertaald, al in 1529 door de humanist Gilles Hoeckaert uit Gent. Zelfs in de titel wordt haar verzet tegen de ‘dolingen ende groten abusyen’ van Luther genoemd. Overigens schijnt ze theologische argumenten gebruikt te hebben die zelfs op gematigde geleerden indruk maakten.

Haar laatste bundel werd verzorgd door een Franciscaan, Hendrick Pippink, niet zomaar iemand; provinciaal generaal van de orde in de Lage Landen. Er is nog veel over haar te vertellen: de Nieuwjaarsrijmen die van hoge kwaliteit zijn, haar verhouding met de mannenwereld van de drukkers, maar een commentaar is geen uitvoerig literair-historisch essay.

Haar werk overziende vraag ik mij af waarvoor Anna gekozen zou hebben: voor Dolle Mina of MVM? Ze was fel genoeg voor de eerste, maar haar overtuigende gedichten waarin ze probeerde te verklaren en te redeneren doet meer aan MVM denken.

Tenslotte, Anna was soms heel geestig, en niet alleen door het virtuoos schelden, zij het dat het poep-en-pieshumor was. Ik heb een lang gedicht gelezen waarin ze de anus verheerlijkte, woorden als ‘scheten’ gebruikt. Een klein stukje uit de laatste strofe.

Met grooten wronghelen duer tverstouten,
Scutterlyck schytende ronde bouten
Dede zemelen stuyven lancx den billen;
Dit prys ick eermen den prycker moet smouten
Met clisteren oft vele ander pillen;
Ende den eers, den buyck sou swillen,
Daensicht ontverwen, dieven ontghyen,
Maer, als poortman wallier es, ten mach niet scillen,
Dit vermach den eers meest tallen ty

Het leven van paters en nonnen was rustig, maar saai. Anna vond dat de boog niet altijd gespannen kon zijn. Ze leverde ontspanningsmateriaal. o.a. voor een ‘windenwedstrijd’ zoals Herman Pleij dat noemde. Ik heb schaterend van plezier, schaamtevol, als een guilty pleasure, het verhaal gelezen van een dikke non met een groots achterwerk. Tijdens zo’n wedstrijd stond zij in de schouw bij het gedoofde vuur en ze deed mee. Uit haar forse achterste knalde een scatologische ballistische raket, die niet alleen tot in de verste hoeken van het klooster te horen was, maar die zodanig veel stof deed opwaaien dat het hele klooster bedekt was met as. En dat was toch nog veel beter dan het zich afzetten in gedichten tegen Luther.

*pag.338, Pley, Herman – Anna Bijns van Antwerpen
** brombeer


Bronnen
Pleij, Herman – Anna Bijns van Antwerpen
Diverse auteurs – Nederlandse literatuur- een geschiedenis
Pleij, Herman – Het gevleugelde woord
Vriesland, Victor E, van – Spiegel van de Nederlandse poëzie 1100 – 1900
Info op Internet

     Andere berichten

Het commentaar op Walt Whitman

Het commentaar op Walt Whitman

Hij dichtte niet over Amerika, maar hij dichtte Amerika door Hans Franse - - De poëzie van Walt Whitman (1819-1892) las ik voor het eerst...

Het commentaar van Marc Bruynseraede

Tweede lezing door Marc Bruynseraede - - Alja Spaan heeft met deze laatste dichtbundel gedichten geschreven die voor mij beklijven. En die...

Het commentaar van Tom Veys

Het commentaar van Tom Veys

Schaken als uitgangspunt voor poëzie door Tom Veys - - Het woord ‘schaken’ kan veel betekenissen dragen, afhankelijk van de context en de...