Pieter Boskma – Mensenhand

Tegen de dood 

door Harry Vaandrager

Ilja Pfeijffer schreef ooit over een door hem bewonderde bundel: ‘Ik kreeg zin
zelf een potje te gaan dichten.’  Of om op een andere zwaargewicht, Roland
Barthes, te variëren: ‘Een matige tekst consumeer je, een goede tekst doet
je produceren.’  Lijken mij schrandere opmerkingen.

En verdomd, bij lezing van Mensenhand, de jongste bundel van Pieter Boskma,
kreeg ik de neiging ipso facto mee te willen krassen. Mogelijk, maar onmogelijk
in de stijl van Boskma zelf. Die is, zoals iedere dichter wenst, zo eigen, zo authentiek.
Dat valt al direct op aan zijn idioom. Een mixture van verschillende talen. Soms
straattaal, dan weer archaïsch of semi- ambtelijk en soms zelfs wetenschappelijk.
Maar steeds des Boskma’s. En alles in een ritme dat met regelmaat verspringt.
Van ijlend tot contemplatief. Om in recensentenjargon te spreken: Boskma
wendt alle registers van de taal aan.

Waaraan staan die registers ten dienste? Wat is het leidend thema van de dichter?
Het leven! De aarde! Boskma schrijft tegen de dood. Niets minder. Geen gemillimeter op een vierkante bladspiegel hier. Het zijn de thema’s die tellen.
Ja, we hebben van doen met een existentieel dichter. Het begint al bij het Bijbelse motto:

Toen zag ik een nieuwe hemel en een nieuwe aarde;
de eerste hemel en de eerste aarde waren verdwenen.
(Openbaringen 21:1)

Het doet denken aan Apollinaire:

   A la fin tu es las de ce monde ancien.

Boskma legt zich niet neer bij de wereld zoals ze zich toont. Ondanks zijn sceptische grondhouding heeft hij het vermogen vitaal te blijven. Die vitaliteit voel je als lezer, omdat er achter de woorden polletjes emotie groeien. Emoties die nog niet in de handboeken geboekstaafd zijn. Volgens mij schuilt daarin de kracht van deze poëzie.
Anders: Boskma is de Marsman van dit tijdsgewricht.

Tussen alle zinnen zwemt het visje van David Foster Wallace dat zich afvraagt: ‘Wat is in godsnaam water?’ Verwondering, dat lijkt mij een drijfveer van Boskma. Waarschijnlijk daarom treffen we veel vraagtekens aan in deze bundel. Want natuurlijk,antwoorden zijn de dood in de pot. Deze dichter heeft de bravoure om indirect de vragen te stellen die iedere ouder van kleuters kent: wat is leven, wat is de dood, wie is God?

Het is dat ik niet tuk ben op lange besprekingen, anders zou ik hier ongebreideld citeren. Maar met slechts enkele citaten doe ik de bundel naar mijn idee te kort. De lezer moet juist meegenomen worden in de roes van de gehele tekst. Ik wens niets te verklappen.
Lees zelf: ‘Sla de fusten maar weer open en ontkurk de wijnen.’

In dit stukje heb ik wat grote namen laten vallen.
In die reeks past Pieter Boskma prima.

Geplaatst in Recensies.