Joanne Limburg – Femenismo

Zuiver, schuldeloos en vrij

door Joop Leibbrand

De Bordeauxreeks van de Dordtse uitgeverij Liverse is het waard te blijven volgen. Vanwege de Nederlandse dichters in de serie, zoals André van der Veeke en Job Degenaar, maar vooral ook vanwege de vertaalde uitgaven. Na bundels met werk van de Schot John Burnside, de van oorsprong Turks-Cypriotische Mehmet Yashin en de Amerikaanse grootheid Charles Bukowski verscheen eind vorig jaar in een tweetalige uitgave het 49 gedichten tellende Femenismo van de Engelse dichteres Joanne Limburg. Ik had nooit van haar gehoord, maar ben nu vertaler Kees Klok zeer erkentelijk dat hij me met haar werk laat kennismaken.

Limburg blijkt het vermogen te hebben ‘zware’ onderwerpen bijna lichtvoetig in heldere gedichten te verpakken, zonder daarbij enig moment oppervlakkig te worden. Het gaat dan om zaken als schuld, verlies, godsdienst (met name het Joodse geloof), dichterschap ook, maar net zo zeer om de beproevingen van het dagelijks bestaan die het leven van jonge vrouwen problematiseren, gedwongen als zij zijn om vele rollen tegelijk te spelen: dochter, moeder vrouw, geliefde, vriend etc. Kwetsbaarheid, depressiviteit, slapeloosheid, een verstoord zelfbeeld, het komt allemaal voorbij, vaak heel direct en bijna onstuimig, soms grappig, meestal scherp en schrijnend – ironie en cynisme zijn haar niet vreemd -, altijd toegankelijk.
Het is poëzie met een sterk anekdotisch karakter en hoewel daarop nogal eens wordt neergekeken, omdat we de werkelijkheid immers al zouden kennen en die daarom niet nog eens beschreven zou hoeven te worden, als het zo sensitief en tegelijk relativerend gebeurt als bij Limburg, getuigt het juist van een groot dichterlijk vermogen.

De bundel, met de opdracht ‘i.m. Maurice Derek Limburg 1934-1996)’ opent en besluit met gedichten over de dood van de vader. Het eerste, ‘An After-Life’, beschrijft o.a. hoe een dode een leven na de dood krijgt door nog aan hem gerichte post; in het laatste, ‘Sisyphus’ Daughter’, gaat het om de moeite die het kost de dode dood te laten zijn en uiteindelijk te laten blijven. In dit gegeven kader schrijft de dochter in feite een zelfportret en zij doet dat vanuit het verlangen ‘smetteloos te worden, een herborene/ met maar één koffer, op het juiste pad.’
Zuiver, schuldeloos en vrij te willen zijn, het is de (te) zware last die zij zichzelf oplegt. Als een vriendin met wie zij een kamer deelde gaat trouwen, schrijft zij:

Vervolgens doen we voor het laatst
de deur van die slordige kamer
achter ons dicht:
de opgehoopte, aangespoelde troep van acht jaar:
studieboeken en hoofdpijnen,
koffiebekers, chocoladewikkels,
achtergelaten huiden.

Maar een nieuw mens word je daarmee niet. Het is ook onmogelijk, zegt Limburg in ‘The Would-Be’s’ tegen haar seksegenoten, want je bent pas echt mens als je cursussen volgt, medicijnen neemt, met operaties ‘kronkels’ gladstrijkt en dan hand in hand loopt, wandelwagentjes duwt, cola drinkt en de dingen doet ‘waarvan iedereen weet dat iedereen ze doet.’ Vandaar ook het titelgedicht, dat het verzet uitspreekt tegen het moeten voldoen aan het beeld van de vrouw als anorectisch (mode)ideaal, vooral ook in stand gehouden door de vrouw zelf.

Het laatste kwart van de bundel bevat voornamelijk familiegedichten. Over de moeder en haar recept voor kneidlach, de grootvader en, in ‘Deuteronomium’, het sterven van de grootmoeder:

[…]
bij de laatste keer dat de avond viel
trok ze de wolken om zich heen,
[…]
terwijl ze haar kleindochters
haar trouwarmband gaf, haar lege huid,
als vloeipapier gespannen over staal
en haar waardigheid, een familieschat
die zijn vorm in onze schouders kerfde,
ieder juweel een stenen gebod.

De zes laatste gedichten zijn alle gewijd aan de vader. Ze vormen het hoogtepunt van een bundel die ik graag aanbeveel. Limburg schrijft geen moeilijk Engels, maar Kees Kloks adequate, dienstbare vertaling (hij lijdt niet aan de bekende vertalersziekte het origineel te willen overtreffen) is voor een goed begrip van de tekst toch zeer behulpzaam.

***
Joanne Limburg (Londen 1970) studeerde filosofie in Cambridge en behaalde daarna een MA in psychoanalyse. Zij is als docent verbonden aan de Britse Open Universiteit.
Femenismo verscheen in 2000 bij de Engelse poëzie-uitgeverij Bloodaxe; die publiceerde in 2007 ook haar tweede bundel, Paraphernalia. Haar eerste bundel werd genomineerd voor de Forward Prize for Best First Collection, haar tweede boek is een Poetry Book Society Recommendation.
In 2010 verscheen The Woman Who Thought Too Much, memoires waarin haar jeugd, haar ontwikkeling als dichteres en de ziekte Obsessief Compulsieve Disorder – Limburg leed zelf aan dwangneuroses – een rol spelen.

 

Geplaatst in Recensies.