Klassieker 156: Marjoleine de Vos – Mevrouw Despina knielt niet

door Bettina Siertsema

Meander Klassieker 156

Bettina Siertsema bespreekt ‘Mevrouw Despina knielt niet’ van Marjoleine de Vos. In het gedicht draait het om een dubbel verlangen: de kinderwens die permanent op de achtergrond in het dagelijks leven aanwezig is, en het verlangen dat er een Ander is, die je diepste wezen kent.

Mevrouw Despina knielt niet

‘Ik riep u, hoorde u mij niet?’
mompelt mevrouw Despina of zwijgt
tegen de wolken in hun hartstochtelijk
verlaten blauw. Ze riep of hoopte
te roepen, boog soms het hoofd, knielde niet
opende nooit haar hand naar de toekomst.
‘Mijn hart verlangt’ zong ze ‘naar u?’

Iemand lopen leren, het zachte beschermen
in ijzeren armen, koekjes kneden.
‘In mij vloeit het over’ schrijft mevrouw Despina
in slecht geadresseerde brieven. Trekt dagelijks
de deur achter zich dicht, neuriënd
over vrede valt ze uit bed, tikt angstig
haar mening in de krant – ‘Ik riep u’ –
of huilt haar hart – ‘Waar was u’ – om
ontferming, belachelijk, hardnekkig tegen
wie horen wil. Zo kan het niet langer, nee
en kijk, het lichtgroen op de vensterbank
gloeit op ‘als gras’ denkt mevrouw Despina
‘in de morgenstond bloeit het’.

Marjoleine de Vos (1957)

Uit: Zeehond graag, Van Oorschot, Amsterdam 2000.

In haar eerste bundel, Zeehond graag, doet Marjoleine de Vos nauwelijks moeite om de autobiografische achtergrond van de gedichten te verhullen. In twaalf ervan wordt nog enige schijn van afstand gewekt doordat ze in de derde persoon staan met een mevrouw Despina in de hoofdrol. Despina is een Griekse meisjesnaam die iets als ‘vrouwe’ betekent. In de aanduiding Mevrouw Despina wordt dus vooral de sekse van het personage uitgedrukt. Die minimale contouren worden in de gedichten wel verder ingevuld.

Al in het eerste gedicht, dat over het geluk van alledaagse dingen gaat, wordt op het eind ook gerept over een verdriet waarvoor dat alledaagse geluk een tegenwicht moet zien te vormen: ongewilde kinderloosheid, een thema dat ook op een aantal andere plaatsen nog voorkomt, waaronder het laatste gedicht, ‘Wie toch is mevrouw Despina’ waarin zij wordt beschreven als ‘ongevuld door God of zin, geen tuin / te wieden, kind te houden, geen mens / die aan haar rok de waarheid vindt.’ Ook in dit gedicht is het een thema.

Strofe 2 begint met de aanduiding van het grootbrengen van een kind. Door het verlangen en de wanhoop die in de eerste strofe en in r. 14-17 te lezen zijn wordt gesuggereerd dat dit aan mevrouw Despina ontzegd is. Met terugwerkende kracht vult het begin van de tweede strofe ook r. 6 concreter in: opende nooit haar hand naar de toekomst; voor veel mensen betekent nageslacht immers dat je toekomst hebt. Een ander herkenbaar autobiografisch element is de regel tikt angstig haar mening in de krant, want de dichter is ook bekend als columniste van NRC-Handelsblad.

De vorm
Het gedicht heeft geen duidelijk metrum. De regels in de eerste strofe zijn voornamelijk viervoetig, in de tweede strofe zijn de regels vaak langer, met vijf heffingen. Doordat rijm en metrum vrijwel afwezig zijn, maakt het gedicht een heel spreektalige indruk. Dat effect wordt versterkt door de enigszins elliptische grammatica: in de eerste strofe wordt het subject niet herhaald bij een stapeling van persoonsvormen (r. 4-6: hoopte, boog, knielde, opende), en de eerste twee regels van de tweede strofe kent alleen infinitieven. Daarnaast lijkt het alsof degene die aan het woord is vaak aarzelt of wat hij zegt wel juist is: mompelt of zwijgt in r. 2, riep of hoopte te roepen in r. 4-5 en tikt haar mening in de krant (…) of huilt haar hart (r. 13-15). Met name in de tweede strofe komt vrij veel alliteratie voor. Maar er is geen eind-, binnen- of middenrijm, ook niet assonerend. De uitzondering is gloeit en bloeit in de slotregels, waarbij ook het groen in de regel daarvoor als assonantie nog meedoet. Of de klankovereenkomst van beschermen en ontferming als rijm beschouwd kan worden, lijkt me twijfelachtig, gezien de grote afstand, maar door de daaraan gekoppelde chiastische klankovereenkomst van zachte en belachelijk zou het toch een bewust nagestreefd effect kunnen zijn. De inhoud van het verlangen zou zo betrokken worden op de kwalificatie ervan: ontferming is een tikje archaïsch en roept de sfeer van de religie op, terwijl belachelijk die sfeer, maar ook de heftigheid van het verlangen zelf diskwalificeert.

Werkwoorden
De werkwoorden waar mevrouw Despina het subject van is, duiden voor een groot deel manieren van zich uiten, van communiceren aan: roepen, mompelen, zwijgen, zingen, schrijven, neuriën, tikken (in de zin van typen), huilen. Het zwijgen hoort in dit rijtje thuis, want ze zwijgt tegen de wolken, en ook als je zwijgt tegen iemand is dat een (negatieve) vorm van communicatie. Het laatste werkwoord in dit verband is denkt mevrouw Despina. Denken is geen uitingsvorm, je hebt er geen hoorder, geen gesprekspartner voor nodig. En dat is precies waar het in dit gedicht om gaat: de onzekerheid over de aanwezigheid van degene tot wie al die vormen van communiceren gericht zijn. Doordat voor het aanspreken ‘u’ gebruikt wordt, en het (niet) knielen, is het duidelijk dat het niet de eventuele levensgezel van mevrouw Despina betreft. Ze mompelt tegen de wolken, tegen de hemel, haar roepen en haar verlangen zijn dus op God gericht, hoewel ze ook dat niet zeker weet, gezien het vraagteken waar de eerste strofe mee eindigt. De brieven die zij schrijft zijn slecht geadresseerd, waardoor het onzeker is dat zij aankomen. Dat roepen en verlangen is de permanent aanwezige onderstroom in de dagelijkse bezigheden. Al voelt ze zich belachelijk, ze houdt hardnekkig vol. Ze richt zich tot wie horen wil, een ambigue zinsnede: is dat de ‘u’, de niet benoemde God? Maar dat is tegelijk degenen die juist niet lijkt te willen horen. Of slaat het op het anonieme lezerspubliek dat haar meningen in de krant leest?

Tegenstellingen
Enkele zinsneden springen in het oog door de ongewone combinatie: r.4-5: wolken in hun hartstochtelijk verlaten blauw: grammaticaal kan hartstochtelijk zowel een bijwoord bij verlaten zijn, als een bijvoeglijk naamwoord bij blauw. Dat laatste ligt iets meer voor de hand, het zou een manier zijn om bijvoorbeeld de felle kleur blauw van de lucht aan te duiden. Maar tegelijk lijkt het of de gemoedsbeweging die aan het roepen ten grondslag ligt hier op de zichtbare werkelijkheid geprojecteerd wordt, een bijzondere soort synesthesie.

Eveneens een op het eerste gezicht vreemde combinatie is in r.8-9 het zachte beschermen in ijzeren armen, maar de betekenis hiervan is minder moeilijk op te lossen: degene die beschermd wordt, het kind, ervaart de zachtheid, waar datgene waartegen beschermd moet worden de onverzettelijke kracht van de beschermer zal ervaren.

Of de zin in r. 12-13 neuriënd over vrede valt ze uit bed in dit rijtje van opvallende combinaties thuishoort, weet ik niet. Het lijkt me dat hij ook alleen een luchtige aanduiding van een wat onhandige maar opgewekte en goedwillende persoon kan zijn. Dat ze haar mening angstig in de krant zet, past wel bij dat karakter: misschien eigenlijk wat verlegen, maar schrijven is nu eenmaal haar vak. Het is of ze onwelkome reacties vreest op haar persoonlijk getinte krantenstukken.

Psalmcitaten
De korte uitspraken van mevrouw Despina die in het gedicht geciteerd worden, met aanhalingstekens en al, sluiten aan bij de psalmen. De eerste regel lijkt een ontkenning te zijn van uitspraken in bijv. psalm 4 en 22, waar de Heer hoorde toen ik hem riep (ps. 4: 4, 22: 25). Maar psalm 22 begint met het tegenovergestelde, net als de ervaring die in het gedicht verwoord wordt: ‘“Mijn God!” roep ik overdag, en u antwoordt niet.’ (ps. 22: 3). Het gedicht ligt in de eerste strofe misschien het dichtst aan tegen psalm 130 die ook begint met een roepen waarvan onzeker is dat het gehoord zal worden, en waar later ook het zielsverlangen naar God uitgesproken (‘mijn ziel verlangt naar de Heer’, ps. 130:6). De ongewone uitspraak In mij vloeit het over kan een zinspeling zijn op het spreekwoord ‘Waar het hart vol van is, vloeit de mond van over.’ Het niet ingevulde subject ‘het’ zou dan op het verlangen kunnen slaan. *)

Onmiskenbaar is in de laatste regels het citaat uit psalm 90: ‘zij zijn (…) als het gras dat opschiet; in de morgenstond bloeit het’ (ps. 90: 5-6). De betekenis van dit psalmcitaat is ambigu. Enerzijds lijkt het oplichtende groen op de vensterbank een zekere troost te bieden, als het kleine geluk dat elders in de bundel zo belangrijk is, of misschien als symbool voor het leven dat toch doorgaat. Anderzijds staat het gras in psalm 90 juist voor de vluchtigheid van een mensenleven, want het vers luidt zijn geheel: ‘in de morgenstond bloeit het en het schiet op, des avonds verwelkt het en het verdort.’

In het gedicht draait het om een dubbel verlangen: de kinderwens die permanent op de achtergrond in het dagelijks leven aanwezig is, en het verlangen dat er een Ander is, die je diepste wezen kent. De kinderwens blijft onvervuld, zoals uit deze en de volgende bundel (Kat van sneeuw getiteld) blijkt. En geleidelijk raakt het intense verlangen naar een kind getemperd en slijt weg. Het andere verlangen blijft, maar ook dat als een onvervuld verlangen, in elk geval in dit gedicht: al die vormen van roepen, die pogingen tot contact, lopen tenslotte uit op het solitaire denkt mevrouw Despina. De hierboven geciteerde regels uit het laatste gedicht van de bundel, ‘ongevuld door God of zin’, bevestigen dat beeld. Het roepen blijft onbeantwoord, en dat gemis schrijnt misschien wel even erg als de kinderloosheid.


*) Ik proefde er een Hadewijch-achtig citaat in, de minne vloeit over o.i.d., maar kon in Hadewijchs oeuvre niets vinden wat hier de bron van zou kunnen zijn.

 

 

Bettina Siertsema bespreekt ‘Mevrouw Despina knielt niet’ van Marjoleine de Vos. In het gedicht draait het om een dubbel verlangen: de kinderwens die permanent op de achtergrond in het dagelijks leven aanwezig is, en het verlangen dat er een Ander is, die je diepste wezen kent.

 

Geplaatst in Klassiekers.