Liggend op de wind luisteren naar woorden

Jos van Daanen (Kerkrade, 1959) studeerde Nederlands en Algemene Literatuurwetenschap in Nijmegen. In 1988 maakte hij zijn poëziedebuut in het tijdschrift Maatstaf en in de jaren daarna publiceerde hij gedichten in De Tweede Ronde, Preludium en Letterlik. Na achttien jaar stilte verschenen er recentelijk weer gedichten van zijn hand in verschillende e-zines, waaronder Krakatau, Poëziepuntgl en Op Ruwe Planken.

Wie zijn je favoriete dichters in het huidige Nederlandse poeziëlandschap?
Zonder te willen suggereren dat ik überhaupt een helder beeld heb van het huidige Nederlandse poëzielandschap, ben ik op het moment vooral geboeid door de poëzie van Menno Wigman, Frouke Arns en Delphine Lecompte.

Je publiceerde al gedichten in een tijd waarin publiceren in een papieren tijdschrift de norm was. Wat vind je van de verschuiving die heeft plaatsgevonden van papier naar het scherm?
Publiceren op het scherm maakt je werk toegankelijk voor een veel groter publiek. Dat is mooi. Maar het oude systeem vond ik transparanter. Je had een aantal tijdschriften met vaste redacties. Als je daarin kon publiceren, had je het goed gedaan. Elitair, maar transparant. Internet is veel massaler, waardoor veel zaken ook de neiging hebben om platter te worden.

Wat vind je van grootschalige literaire wedstrijden zoals de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd? Waag je je aan zoiets?
Het is een van de vele poëziewedstrijden die er worden georganiseerd, maar dan wel een met een echte, lekker vette prijzenpot. Ik ben een arme dichter, dus ik zou wel gek zijn als ik niet een kans zou wagen. Van de hoofdprijs zou ik een jaar lang kunnen leven.

In de jaren tachtig publiceerde je je gedichten in gevestigde tijdschriften, daarna volgde er een stilte van achttien jaar. Hoe voelde het om de draad van het schrijven weer op te pakken?
Poëzie is een wezenlijk deel van mezelf. Mijn bescheiden succesjes in de jaren tachtig wilde ik natuurlijk graag continueren. Maar ik merkte dat ik daardoor steeds meer ‘naar de tijdschriften toe’ probeerde te schrijven. Toen ik merkte dat mijn gedichten niet meer authentiek voelden, ben ik abrupt gestopt met het schrijven daarvan. Die pauze van achttien jaar heeft me als dichter sterker gemaakt, rustiger en onafhankelijker. Mijn gedichten zijn nu weer van mij en laten zien wat er in me omgaat. Dat voelt vrij en ongedwongen.

Wat maakt een gedicht in jouw ogen tot een geslaagd gedicht?
Voor mij is een gedicht geslaagd als ik weg kan dromen bij de beelden en de sfeer die het bij me oproept. Daarnaast moet het in staat zijn mij uit te dagen om het opnieuw te lezen. Het moet inhoud hebben en ik moet zijn eigen vrije, intrinsieke vorm kunnen voelen. Het volgen van vormregeltjes doet het bijvoorbeeld niet voor mij. Poëzie moet voelen als liggend op de wind luisteren naar de woorden die je aan je eigen ademhaling kunt onttrekken. Woorden die er gewoon zijn, die je niet hoeft te bedenken en alleen maar uit de lucht hoeft te plukken. Zoals de beeldhouwer die zijn beeld al in het blok marmer kan zien en alleen nog maar de overbodige stukken hoeft weg te kappen.

Sommige van je gedichten zoals ‘Vertraging’ en ‘Dood spoor’ doen me denken aan de poëzie van Hans Faverey. Heeft deze dichter je werk beïnvloed?
Faverey was zo’n twintig jaar geleden te hermetisch en qua niveau te onbereikbaar voor me. De behoefte om te dichten zoals hij deed, ontbrak. Die behoefte voelde ik wel bij Beurskens (ook niet bepaald toegankelijk), Bernlef, Gottfried Benn en, veel later, bij dichters als Peter Verhelst of Luuk Gruwez. Maar meer nog dan door bepaalde dichters ben ik vooral beïnvloed door heel simpele lessen van sommigen van hen. Zo heb ik Bernlef lang geleden in een interview horen zeggen: “als je [in een gedicht] wilt vertellen dat iemand eenzaam is, gebruik dan per se het woord eenzaamheid niet.” Dat heb ik zeker proberen toe te passen in mijn eigen werk.

Je publiceert met enige regelmaat gedichten in tijdschriften en e-zines. Is je volgende stap het uitbrengen van een bundel?
Natuurlijk zou ik graag bundels uitbrengen, dus als er morgen een gerenommeerd uitgeefhuis bij me zou aankloppen, ga ik zeker daarmee om de tafel voor een langdurige samenwerking. Maar ik heb dat helaas niet zelf in de hand en ik wil mijn werk niet in eigen beheer uitgeven. Dan ontbreekt voor mij persoonlijk de kwaliteitstoets van een redactie of een uitgever met verstand van zaken. Die toets heb ik nodig.

Geplaatst in Interviews en getagd met .