Bernard Wesselings – Naar de daken

Met Dante het dak op

door Levity Peters

Wat een wonderlijke titel: Naar de daken. En Bernard Wesselings dichtbundel begint met een nog opmerkelijker motto, ontleend aan een interview met acteur Charley Sheen: ‘Boom, crush. Night, losers. Winning, duh.’
Op pagina 27 lees je een tweede motto, ditmaal ontleend aan Vergilius: ‘Durate et vosmet rebus servate secundis.’ (Hou vol en volhard tot betere tijden.)
Over winnen en overleven gaat het in deze bundel. Over wachten op betere tijden.
Hij gaat niet naar het dak, maar naar de daken. Niet naar het dak van een schuurtje bijvoorbeeld, maar hoog, waar de andere daken zijn:

Naar de daken ja! En dan maar wachten tot morgen de luchten
van postmodern blauw – het oude grijs – naar trouwer blauw
verschieten

De dichter is niet geneigd zich eronder te laten krijgen. Hij gaat het dak op.
Wanneer mijn moeder vroeger zei: ‘Ga toch op het dak zitten!’ dan was dat haar reactie op een te hoog gesteld verlangen. (Mijn reactie: ‘Alleen met zuidenwind.’)
‘Zorg dat je weer in het lichaam komt te geloven’, lijkt de eis die de dichter zichzelf heeft gesteld.

Ze lijken eenvoudig, deze gedichten vol alledaagse verrassingen in een allesbehalve cryptische taal, maar wanneer je even minder geconcentreerd leest, is de dichter ontsnapt. Regelmatig gebeurde het mij dat ik een vers meerdere malen moest lezen, voordat ik ‘zag’ wat er stond. Hij lijkt alle kanten op te kunnen gaan, maar waar hij ook heen gaat, en hoe, alles lijkt te passen. En met ogenschijnlijk moeiteloos gemak geschreven, schijnt elk vers de mogelijkheid in zich te dragen om je dieper in het labyrint te brengen.

Vergilus ontmoet je in in de eerste sectie van de bundel, in het gedicht ‘Leidsman’, dat gaat over een dode wiens kleding de dichter draagt:

Het is te wijten aan mijn rusteloosheid dat het lijkt
of zijn geest niet aankomt, nog niet is uitgevaren.
Tot die tijd heb ik mij tevreden te stellen met een beeltenis
zonder stem.

Noem het gebrek aan inzicht in de aard van een schim.
Vergelijk Vergilius. Door hem te verzinnen
kon Dante zijn eigen leidsman zijn,
kon hij zichzelf de hel uit wijzen en zich tegelijk
door haar laten afleiden.

De dichter geeft zo een prachtige definitie van zijn dichterschap, hij confronteert ons met de alomtegenwoordige dood, leidt ons de onbetrouwbare wereld door, maar tegelijkertijd er vanaf:

Dus vertel ik mijzelf weer eens
van de zomer die nog maar pas begon. Hoe in het hart
van de kamer een vlieg gonsde die
op zijn gezicht landde en zijn mondholte in kroop.

Wat kon ik doen ? Uit het dodenrijk heeft men
niets te verjagen.

Hem aanraken durfde ik niet: zijn voorhoofd
zou barsten onder een kus van mij.

Wat een schrijnend beeld! Liefde en vernietiging hand in hand als voorondersteld resultaat van het aan een dierbare dode willen raken; weten van de dood -, maar er niet in kunnen geloven:

‘s Middags zweert een therapeut samen met
mijn gevoelsleven. We praten wat

over mijn woede,
indrukken uit de diepte,
het gezicht dat ik nooit meer te zien krijg,
en, onmogelijkerwijs,
eens in de tijd ontbonden te zijn.

(uit: ‘Er wordt aan gewerkt’)

De dood speelt een centrale rol in deze bundel, de angst ervoor, maar ook het bewustzijn hem tot nu toe de baas te zijn, en hoe dat gebeurt.
In een reis over de péage blijken borden de plek van een ongeluk te markeren. Het is in dit tweede gedicht van de bundel dat de dood wordt geïntroduceerd, en waar tijdens een sanitaire stop het leven, alsof er nauwelijks iets van tragiek is blijven hangen, gewoon wordt voortgezet:

Muziek die niet uitmaakt. Arm uit het raam.
Slapen onder een kaart.
Hoe kun je de waarde van een leven overschatten?

(uit: ‘Hoog en droog’)

Mag de poëzie gezien worden als een middel om je van de gruwel van het leven af te leiden, er is even alleen maar onbegrip wanneer hij een stokoud echtpaar tegenkomt dat naar hem lacht:

En misschien zijn het de medicijnen maar
ze lachen, ze lachen je verdomme toe
alsof je niet alleen hun laatste kans
op afscheid kon zijn

maar vol van de beste bedoelingen.

(uit: ‘Wat valt er te lachen?’)

Het blijft een wonderlijke gewaarwording een dichtbundel te lezen over existentiële zaken als de dood, en hoe daarmee te leven:

Nee, dan liever de kinderen. Zij kunnen het nog:
niet doen alsof zij niet doen alsof
wanneer ze hun tekeningen maken over later,

(uit: De schets is weer eens beter)

– terwijl hij nergens zwaar wordt. De dichter staat boven de dingen, vanaf het dak ziet hij de wereld beneden en wacht op de verandering van licht, wacht op betere tijden, terwijl hij volhoudt en zich sterk maakt en poëzie schrijft, die zich in de lezer voortplant, en zo wint.
Niet eerder had ik een bundel in handen met een dusdanig zware inhoud die zo plezierig was om te lezen, die in alledaagse taal allesbehalve doorsneeperspectieven biedt, die licht is, maar nooit oppervlakkig.
Meer!, dacht ik toen ik de bundel uit had: Meer! Meer!

***
Bernard Wesseling (1978) debuteerde als prozaschrijver met de roman De favoriet. Zijn eerste dichtbundel Focus (2006) werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut. In 2010 verscheen zijn roman Portret van een onaangepaste. Wesseling is actief als podiumdichter, trad veel op in Festina Lente, stond op de Nacht van de Poëzie en in talloze festivals.

Geplaatst in Recensies.