Luuk Gruwez – Wijvenheide

Veel vleselijkheid, gekruid met humor

door Wilma van den Akker

Volgens de tekst op de achterkant van Wijvenheide vindt Luuk Gruwez zichzelf in deze bundel opnieuw uit. “Zijn thematiek mag dan bekend zijn, de uitwerking is wederom volstrekt origineel.” Oh. De naam en de reputatie van deze dichter waren mij wel bekend, maar tot nu toe had ik nog geen hele bundel van hem gelezen. Ik loop niet heel warm voor:

Laat ons naar Wijvenheide gaan.
Hoe jammerlijk dat afstanden bestaan,
maar wie per se naar Wijvenheide wil,
komt ook in Wijvenheide aan.

Wijvenheide, eerste strofe

De grap van de titel ontgaat me. In de aantekeningen lees ik: “Wijvenheide uit het gelijknamige gedicht is een heidegebied, gelegen nabij de Wijvennen of Witvennen in het Limburgse Zonhoven.” Aha, er is hier sprake van een ‘verkeerd beentje’ Het accent ligt anders dan het woordbeeld suggereert. Dat is dan de grap van Wij-ven-heide. Misschien moet je de plek kennen om de titel en het gedicht te waarderen, misschien heeft Gruwez er zijn eigen associaties mee.

Gruwez beschrijft nog een aantal plekken in Vlaanderen en daarbuiten. Het tweede deel van de bundel heet niet voor niets ‘mise-en-place’. Dit deel wordt afgesloten met een hommage met knipoog aan Hendrik van Veldeke, de middeleeuwse dichter.

Veldeke forever

(…)

Want dag na dag, in koninkrijk of negorij,
wordt het wel ergens ochtend zonder vleselijke averij.
Straks noemt men elkaar nog U. U, U, U. Alsof men kukelt,
kakelt, net als ik. Is liefde dan een spraakgebrek? Ach, weet je wat,
ik wacht een eeuw of acht en laat mijn ego in die verre tijd
naar feestbanket, naar galabal of disco gaan. Gegarandeerd giet men
wel ergens beelden van mij af. maar uit niet één zal ik ontsnappen, ik,
heer van stand, gemaakt in steen, daarin versteend.
Zelfs niet als naast mijn kleine teen zo’n ding passeert,
nog lang niet uit het ei, met tongpiercing en iPod in de oren.
Zo’n meisje dat ik toe zou willen roepen dat ik het ben,
Hendrik van braven huize en met respectabele kloten,
en dat ik hier destijds de liefde uitgevonden heb.
En of zij niet voorgoed van mij? Of minstens toch voor even?

(laatste strofe)

Dat is smakelijker koek.
Het best heb ik me vermaakt met het derde deel: ‘een minnaar voor elk lichaamsdeel’, geschreven bij Venus, een schilderij van Lucas Cranach (ca. 1518). Deze cyclus opent met:

Venus’ voorspel

Al mijn lichaamsdelen wens ik u te presenteren
zodat u mij van top tot teen bekijken kunt. Ik zie
uw pukkels en uw sproeten wel. Ik neem uw pens waar
en uw stekelhaar. En zelfs die oppergaai van u: ik zie hem staan.

Maar toch willen mijn actuele borsten, roemrijke vorstinnen,
meteen al voltijds naar uw aandacht en naar uw gunsten dingen.
Mijn schouders, mijn ogen of mijn oortjes? Idem dito.
Van heel het vrouwendom ben ik het pars pro toto.

Wenn man nicht schön ist, soll man etwas Schönes machen:
ik leg mijn woorden op Herr Cranachs lippen. Herr Cranach,
niet bepaald een spetter, maar mijn mentale pooier en poëet.
Ik wil beschikken over al mijn lichaamsdelen,

alom bekleed met kippenvel, het braille van de lust.
Schenk mij een streelzucht, amper draaglijk. Laat
mij bijvoorbeeld hierop hopen: dat ieder onder u mij wil.
Want mis ik ook maar een van u, dan mis ik heel de wereld.

Al is het misschien ‘not done’, ik kan het niet laten om hier te verwijzen naar mijn eigen gedicht ‘pro toto‘, elders op Meander te vinden. Toen ik ‘Venus’  voorspel’ las, glimlachte ik omdat Gruwez op een heel andere manier met dezelfde gedachte heeft gespeeld. De cyclus gaat verder met zesregelige gedichten die respectievelijk het oog, de haren, de hals, handen, voeten, borst, borsten, achterwerk en ‘het paradijs’ behandelen. En wordt afgesloten met Venus’ epiloog. Ook Venus is in deze tijd ‘… piercings rijk en talloos veel tattoos.’

Mijn conclusie is dat het titelgedicht niet de mooiste vlag is om de lading van deze bundel te dekken. Er staan veel interessanter gedichten in. Vleselijker en geestiger, een smakelijke combinatie.

***
Luuk Gruwez (1954) is dichter, essayist en prozaschrijver. Hij publiceerde eerder de bundels Stofzuigergedichten (1973), Ach, wat zacht geliefkoos om een mild verdriet (1977), Een huis om dakloos in te zijn (1981), De feestelijke verliezer (1985), Dikke mensen (1990), Vuile manieren (1994), Dieven en geliefden (2000), Allemansgek (2005) en Lagerwal (2008).
Twee keer verscheen een bloemlezing uit zijn poëzie: Bandeloze gedichten (1996) en Garderobe (2010)

Geplaatst in Recensies.