Charles Ducal – Alsof ik er haast ben. Verzamelde gedichten 1987-2012

doe het maar…

door Joop Leibbrand

2012 lijkt het jaar van de Vlaamse dichters te worden. Eerst kreeg Leonard Nolens ter gelegenheid van zijn vijfenzestigste verjaardag en veertigjarige schrijverschap van Querido een prachtige bundeling van zijn poëzie in Manieren van leven. Gedichten 1975-2011 en daarna bleef uitgeverij Atlas voor Charles Ducal niet achter. Begin april werd hij zestig, vijfentwintig jaar geleden publiceerde hij zijn eerste bundel en dat was reden genoeg om deze andere zuidelijke grootheid eveneens een verzamelde gedichtenuitgave te gunnen.

Alsof ik er haast ben bevat de zes bundels die Ducal sinds 1987 schreef, 273 gedichten in totaal. Met een gemiddelde van minder dan één gedicht per maand betoont hij zich dus geen veelschrijver. De urgentie die al sinds zijn debuut Het huwelijk uit zijn pregnante poëzie spreekt, verzet zich daar ook tegen. Ieder gedicht heeft bij hem het karakter van een overwinning op de werkelijkheid en die zeges rijg je niet moeiteloos aaneen.

Ducals favoriete versvorm is die van drie keer vier regels, in117 gedichten past hij die toe. Negentig gedichten eindigen met een losse slotregel, 23 beginnen ermee; het kan wijzen op een sterke behoefte te isoleren, af te zonderen, te benadrukken. Dat het overheersende metrum de dactylus is, een versvoet die van nature een stellend karakter heeft, zal hiermee samenhangen..
In de latere bundels neemt het aantal versvormen sterk toe. In inkt gewassen bijvoorbeeld telt vijftig gedichten en 38 keer hebben die een andere vorm; Ducal varieert lengte en strofebouw dan naar believen en maakt daarbij de vorm ondergeschikt aan de inhoud.
Veel gedichten kennen geheel of gedeeltelijk eindrijm, maar dwangmatig is het gebruik ervan niet en volrijm wordt moeiteloos door halfrijm vervangen.

Het huwelijk was indertijd een overrompelende bundel. En nog. Niet voor niets draagt hij de titel van Elsschots bekendste gedicht, want niet alleen is het huwelijksleven als zodanig een belangrijk thema in de bundel, ook de toonzetting is vaak Elsschottiaans, zowel vanwege die zo kenmerkende mengeling van ironie, cynisme, bekommernis en humor, als door de naturalistische inbedding en de duidelijke drang tot verisme. Ieder gedicht is op zoek naar een waarheid over de condition humaine die met volle overtuiging persoonlijk én algemeen geldig wordt gemaakt.
Dit gedicht zet de toon, ook voor wat betreft de vaak in bijbelse (maar nadrukkelijk niet-gelovige) context waarin Ducal veel gedichten plaatst:

Eden

De haag in bloei houdt om de tuin de wacht.
Ik loop de wildernis in met hark en schoffel.
Zij hangt het wasgoed op. Haar naakte oksels,
holten van herinnering aan de nacht,

de vruchteloze zondeval, de beet die altijd mag.
Zij droogt mijn ondergoed, ik voel geen schaamte.
Wij leven in een staat die God beamen moet,
verdrijving kan alleen door tegenslag.

Want goed en kwaad zijn tot elkander teruggebracht.
De zonde wordt als witgoed uitgehangen.
De draden buigen als vermoeide slangen
door. Zij zingt. Ik werk mijn bedje af.

Wat naast de realistische setting opvalt, is hoe het ikpersonage iemand is die op afstand staat, toeschouwer is, zich gescheiden weet van zijn omgeving, van de ander en van zichzelf, en vanuit die positie met grote betrokkenheid heel precies, analytisch waarneemt. Hij ziet de betekenisvolle details, overziet daarbij ook het geheel en komt daarbij tot essentiële inzichten, die hij indringend en met haast spreekwoordelijke zeggingskracht verwoordt.
Het is het overheersende beeld in heel veel van Ducals gedichten, ongeacht de rol die de ik speelt. In Het huwelijk is dat in de eerste plaats die van echtgenoot:

Misverstand

De duivel waakt in elke man
en houdt de moordplannen verborgen.
Blind, verdoofd van kleiner zorgen
slaapt de vrouw. Het komt ervan…

Hij buigt zich naar de weke hals
en denkt: nu even ongenadig wezen.
Vingers om de nek. Hij weet het zeker.
Maar het volgende gebaar is alweer vals.

Hij streelt en bijt de kaken op mekaar.
De aarzeling brengt de vrouw tot leven.
In de rug voelt zij de donkere adem beven
en zij fluistert: doe het maar…

Het is dezelfde dubbelheid als bij Elsschot, alleen nog scherper en hopelozer. Ook hoe de plaats van de ik als gezinslid is, wordt schrijnend beschreven. ‘Het gezin’ is een meedogenloos gedicht, waarin de mythe van het eenvoudige burgerlijke gezinsgeluk tot op het bot wordt gefileerd:

Het gezin

Vader, moeder, hun eenvoudig leven.
Vingers om het mes, de smakeloze plicht.
Zijn kaken malen vreedzaam. Kouwe kip.
Haar lichaam heeft niets mee te delen

tenzij: dat zij met elkaar een tafel delen
zonder brekend glas en zonder gif.
Het kind scheurt een toevallig moordbericht
uit oude kranten, inkt in sombere vegen

als een teken op zijn wang.
Want alles kan in een eenvoudig leven:
vader, moeder, mes geslepen,
en een kind uit zelfbedwang.

Niet alleen het kind is getekend, de tot elkaar veroordeelde vader en moeder zijn dat ook. Zo gaat het de hele bundel door. De gedichten wedijveren met elkaar in indringendheid, ze zijn als etsplaten zo scherp, ze hebben iets onherroepelijks, zeker in de onderliggende, verleidelijke suggestie dat dit alles autobiografisch zou zijn. Want nog twee andere rollen zijn de ik op het lijf geschreven. ‘de boekentas met Vondels Lucifer’ waarvan in ‘Dageraad’ sprake is, wijst uiteraard op een bestaan als leraar Nederlands (het beroep van Ducal), en daarnaast is hij de man van het woord, de dichter, die ervaart dat woorden de werkelijkheid kunnen maken: ‘Tot alles bereid is het woord.’ (Wat trouwens direct de gedachte ontzenuwt, dat het lyrisch ik een op een samenvalt met de persoon van de dichter; het is in alle zogenaamde ‘eerlijkheid’ in de eerste plaats een literair spel, dat Ducal hier zichzelf met de lezer laat spelen.)

De rollen komen samen in ‘Misverstand 3’, dat is opgebouwd rond de regels ‘Mijn vrouw is getrouwd met een dichter,’ ‘Hij schrijft. Verder zijn er geen plichten.’ en ‘In gemeenschap wordt niets ondernomen.’ Alle connotaties van ‘gemeenschap’ spelen mee en benadrukken de onvruchtbaarheid van dit bestaan. ‘Poëzie is een daad van ontkenning’ luidt dan ook de slotregel van de bundel en daarmee roept Ducal de bekende regels van Remco Campert in herinnering: ‘Poëzie is een daad/ van bevestiging. Ik bevestig/ dat ik leef, dat ik niet alleen leef.’ Juist het feit dat hij in de volle ambiguïteit daarvan niet alleen leeft, doet Ducals ikfiguur aan zichzelf lijden.

Alleen al deze ijzersterke debuutbundel rechtvaardigt de aanschaf van deze verzamelde gedichten. Maar wat volgt is minstens zo goed. De diverse rollen worden uitgediept en uitgebreid. In het aan de vader opgedragen De hertog en ik is de ik in opnieuw regelmatig bijbels getoonzette gedichten kind en zoon, geplaatst in een bedreigende buitenwereld, ontheemd en ook aan zichzelf vreemd. Soms is het alsof de hoofdpersoon van deze gedichten de trekken heeft meegekregen van Sartres Roquentin of van Camus’ Meursault. In ieder geval is er duidelijk sprake van een innerlijke tweestrijd: wie te zijn in welke werkelijkheid, de reële of de verbeelde. Dat deze poëzie ten diepste misschien een narcistisch spel is – compleet met Droste-effect! -, zou kunnen blijken uit ‘Uit het oog’. Het is het slotgedicht van de bundel.

Uit het oog

Hij liep. Iemand schreef dat hij liep.
Toen hij het water bereikte om er zich
voor de laatste keer te bewonderen
was het, terwijl hij viel en zonk,
toch een troost dat hij ook werd bewonderd
door iemand die schreef dat hij viel en verdronk.

Stiekem kroop hij aan de overkant uit het water,
zijn kleren waren gelukkig nog droog.
Door niemand gevolgd
liep hij zich snel uit het oog.

In de bundel Moedertaal, opgedragen aan de moeder, is de ik nadrukkelijk het boerenkind. De bundel bevat veel aardse gedichten, vaak in een broeierige atmosfeer. Het is een conflictueuze bundel, waarin seksualiteit botst met geloof, de dialectische moedertaal met het ABN en de dichter met zijn vergeefs naar zingeving zoekende zelf. ‘Wij leven.// Daarna gaan wij dood.’, besluit hij ‘Herfstdag’. Vandaar dan ook: ‘Het is een vergissing niet vrolijk te leven./ Ik denk dat God niet bestaat.’ (slotregels ‘Hierna’.)

Naar de aarde neemt het landschap van zijn jeugd als uitgangspunt. De dichter past de vruchtbaarheid van veld en akkers toe op zijn persoonlijke ontwikkeling, met name het ontluikende dichterschap, dat verder het belangrijkste thema van de bundel wordt. Bijkomende motieven zijn de zich opdringende seksualiteit, het leraarschap, de beleving van de eigen persoon (‘Er is/ in de wereld geen andere pijn/ en geen andere honger dan ik.’) en alweer het huwelijk, dat uiteindelijk de genezende bestemming blijkt te zijn.

In inkt gewassen problematiseert het dichterschap en getuigt van een haast obsessionele fascinatie voor seksualiteit. Hoewel veel gedichten nog steeds heel direct zijn, lijkt over het geheel genomen de spontaniteit iets minder geworden, is er soms zelfs even sprake van een zekere redeneerdrift, zoals in ‘Een ander’:

Een ander

De wereld die mijn wereld niet is
vult ieder raam van het huis.
Daglicht wist de weerspiegeling uit.
Een pen die de mijne niet is

houdt het vergezicht laag bij de grond.
Inzichten schrijven de horizon,
brandende steden waar ik niet kom.
Is het mogelijk dat men een ander wordt

door zich op te bergen als een paspoort
dat niet langer geldt? De spiegel
te mijden alsof men zich schaamt
voor zichzelf? Het gedicht te fouilleren

als een verdacht element?

Sterker dan in de andere bundels is er ook een maatschappelijke component, toont de dichter zich geëngageerd en maatschappelijk betrokken, al leveren daarbij moedeloze afkeer van deze wereld en de hoop op verandering strijd met elkaar.

Ducals voorlopig laatste bundel is Toegedekt met een liedje. Eros (met name de afdeling ‘School der pornografie’) en Thanatos domineren, maar ook de taal en de poëzie staan weer centraal. Opvallend is het gevecht dat de dichter moet leveren tegen zijn eigen ambivalentie, hoe hij zijn best moet doen om van ‘dit geschrijf’, van ‘deze dwang/ zich op te stapelen voor na de dood’ de zin te blijven zien. Maar al is het gedicht gemaakt ‘van dode dagen,/ van drankzucht, maagzuur, een vuile tafel/ waarop een leven, ad nauseam.’, het bevat iets zuivers. In ‘Aan deze kant’, het voorlaatste gedicht van de bundel, zegt hij: ‘[…] wij maken geen sporen.// Alleen wat gestuif, heel licht, als van poëzie.’

Alsof ik er haast ben is heel wat meer dan licht gestuif. Het is een bundeling die Ducal de enige plaats in het poëzielandschap geeft die hem recht doet: vooraan, waar hij met kop en schouders uitsteekt boven al die de laatste jaren omhooggeschreven mindere goden.

***
Charles Ducal (F.P.J. Dumortier, Huldenberg bij Leuven, 1952) studeerde Germaanse filologie aan de KU Leuven en werkt als leraar Nederlands in het voortgezet onderwijs. Hij debuteerde in 1987 bij De Arbeiderspers met Het huwelijk.
Na Twist Met Ons (Den Gulden Engel, 1987), een gezamenlijke bundel met met Spinoy, Dewulf en Van Bastelaere, verschenen bij Atlas De hertog en ik (1989), Moedertaal (1994), Naar de aarde (1998), In inkt gewassen (2006) en Toegedekt met een liedje (2009).
Bundels van Ducal werden diverse keren bekroond; hij ontving o.a. de Prijs van De Vlaamse Gids, de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, de Prijs van de Vlaamse Provincies, de vijfjaarlijkse Guido Gezelleprijs van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, de Herman de Coninckprijs en de driejaarlijkse Karel Van de Woestijneprijs.
Zijn verhalenbundel De meesterknecht is van 1992. In 2010 schreef hij het Gedichtendag-essay Alle poëzie dateert van vandaag, een pleidooi voor de leesbevordering van poëzie.

Geplaatst in Recensies.