Xavier Roelens – Stormen, olielekken, motetten

Storm in een glas water

Joris Lenstra

Ik heb Stormen, olielekken, motetten voor mij liggen, de allernieuwste bundel van de jonge Belgische dichter Xavier Roelens. Werk uit deze bundel is o.a. eerder in de Poëziekrant verschenen. Roelens heeft de reputatie een weinig toegankelijk dichter te zijn.

De titel is anachronistisch: motetten zijn meerstemmige, middeleeuwse (kerk)gezangen, terwijl olielekken juist kenmerkend zijn voor ons huidige, industriële tijdperk. Stormen kunnen van alles betekenen, toen en nu. Zeker in poëtische zin. De ondertitel, Over de twee hoofdbestanddelen van de mens: water & relaties, heeft een wetenschappelijke toon, alsof het een rapportage over de mens in relatie tot zijn (water)milieu is. Kortom: een poëtische rapportage door de tijd heen, dat kan spannend worden!

Voor het tot stand komen van deze bundel zijn maar liefst drie verschillende subsidies nodig geweest, van het Vlaams Fonds voor de Letteren, het Nederlands Letterenfonds, en de Provincie West-Vlaanderen. Dit komt op mij nooit zo positief over. In diverse publicaties op kunstgebied wordt uiteengezet hoezeer het huidige subsidiebeleid niet tot kwalitatief bovengemiddelde kunst leidt. Daarbij worden subsidies toegekend om financiële tekorten te dekken. De uitgever verwacht er dus verlies op te draaien. Zou deze bundel zonder de subsidiëring ook zijn uitgekomen? Met andere woorden: is de poëzie die erin staat wel wezenlijk genoeg om te mogen verschijnen?

Roelens’ poëtische stijl is een kruising tussen het modernisme en het postmodernisme. Modernistische elementen zijn onder andere de overdaad aan woorden en beelden, het vele gebruik van de monologue intérieur, en het specifieke gebruik van taal als instrument. De teksten nemen de lezer mee zoals een woelige zee een eenzame zwemmer. Op een gegeven moment lees je de woorden niet meer, je ondergaat ze. Bladzijde na bladzijde krijg je talloze woorden onder ogen; boodschappen en beelden die je nooit helemaal kunt plaatsen. De verbeelding wordt opgetild, meegevoerd en, na elke bladzijde, vermoeid geworpen bovenop de volgende taalgolf.
De taal zelf als instrument; het doet een beetje denken aan de twee grote, ondoorgrondelijke werken van James Joyce: Ulysses en Finnegans Wake. Maar dan zonder diens geweldige muzikale taalgebruik. In plaats daarvan staan de teksten bol van de beelden die op mij overkomen als verloren voorwerpen drijvend op een taalzee.
Hier volgt een stukje monologue intérieur in modernistische stijl:

p. 32 (neen)
ik zit nog altijd ver vanbinnen in mezelf. nu en dan kom ik buitenpiepen en vind ik dat leuk en schijnen de anderen het ook leuk te vinden maar dan trek ik m’n kop weer in, waarom, weet ik ook niet. op de 1 of andere manier hoop ik zelfs dat de lente niet te rap komt. toch heb ik het zekere instinctmatige gevoel dat het beter is dat de lente komt, als je ze vindt, gooi ze hoog in de lucht! dat zal ze graag hebben! hou je wel klaar om ze weer op te vangen voor als ze dat grappig vindt, misschien wordt ze graag in het rond gedraaid en loopt ze graag mee aan je hand zo lichtvoetig dat ze begint te vliegen en zie je alles bloeien van boven ruik je de vochtige lucht en kun je op je rug zweven zoals in de dode zee!

misschien is de lente ook treurig en heeft ze geen zin om naar buiten te komen, en hoe langer ze wacht, hoe triestiger het hier wordt en hoe minder goesting ze heeft. maar de winter is niet onuitputbaar, die heeft ook op z’n tijd rust nodig. dan zullen we misschien een tijdje helemaal niets hebben en helemaal alleen zijn. zo voelt het nu, toch?

In de eindregel wordt gerefereerd aan de veel in literatuur voorkomende existentiële eenzaamheid van de mens.

Postmodernistisch is deze bundel door de nadrukkelijke vermelding van de inspiratiebronnen van de auteur. Aan het einde is een lange lijst opgenomen met boeken die de schrijver beïnvloed hebben tijdens het schrijven. Er staan nog net geen muziekalbums bij. Overigens kan deze incomplete leeslijst ook geïnterpreteerd worden als de bronnenlijst van de eerder genoemde ‘poëtische rapportage’.
Verder is deze bundel postmodernistisch in zijn gebruik van woorden en beelden uit de hedendaagse (consumptie)maatschappij. Zo komen Ken en Barbie voorbij en wordt er met enige spot geschreven over ‘outsourcing’.
Bovenal is hij postmodernistisch in zijn boodschap: er is geen groot verhaal meer. De beelden komen één voor één op de lezer af, zonder samenhang en dus zonder de intentie om er één verhaal van te maken. Of het moet het verhaal zijn van de kwalijke invloed van de mens op de natuur: de zogenaamde ‘vervuiling’. Want dat is wat er langzaam boven komt drijven na het ondergaan van deze kakofonie aan teksten. Soms is het net alsof er diverse afleveringen van Discovery Channel en National Geographic samengevat zijn. Deze gedachte wordt gevoed door de auteur zelf, die op de achterkant van de bundel meedeelt dat hij door het schrijven van deze bundel vegetariër is geworden, en ook door de aanhef: ‘opgedragen aan 3% volwassenen’. Dit percentage komt ongeveer overeen met het aantal vegetariërs in ontwikkelde landen als Nederland, België en Amerika.

Tot zover de stijl en de uitdruk die deze bundel op mij heeft achtergelaten. Na het lezen ervan blijf ik echter zitten met de levensgrote vraag zitten waarom ik deze bundel zou moeten gaan lezen. Hij is zo ontoegankelijk en weinig aanlokkelijk geschreven dat het is alsof hij opzettelijk het lezen ervan tot een zware taak wil maken. Het is bijna alsof hij een nieuwe vorm van l’art pour l’art propageert: een kunstvorm zonder publiek. En er staat zoveel kort proza in dat je je af kunt vragen of er hier nog wel sprake is van een dichtbundel en niet van een boekje met kort, experimenteel proza.

Verder is de bundel op stilistisch gebied weinig vernieuwend. De beelden choqueren af en toe, maar zijn bovenal zo talrijk en soms zo abstract, dat ze ophouden mij als lezer te raken. Hoe kan ik mij nog voorstellen dat er: ‘duizend victoriabaarzen spartelen op het droge’ die door één spreker worden ‘omhelsd’ en ‘beweend’? Zulke uitlatingen verbreken het stilzwijgende contract dat je als lezer tekent wanneer je een tekst leest. Het gevolg hiervan is dat je het boek weglegt.

Tot slot zijn de diverse kleine boodschappen voor mij niet overtuigend genoeg. Zo staat er: ‘men moet ’s avonds eten op tafel hebben/ staan en als de ogen groter dan de buik dan past de buik zich aan.’ Waarom zou ik dit willen lezen; wat is de waarde van deze twee regels? Ze zijn een beschrijving, geen argument. Niemand zal er een hap minder door eten. De mensen die vinden dat de mens al teveel consumeert, zullen (zouden ze dit aanhoren) niets ander zeggen dan dat hij gelijk heeft. En uiteindelijk zal niemand zich erdoor aangesproken voelen.

Ik kan mij echter niet aan de indruk onttrekken dat ik te maken zou moeten hebben met een spannend geschreven dichtbundel met een actuele boodschap over mens, milieu en maatschappij. Een boodschap die we inmiddels allemaal wel zullen kennen. Zo las ik laatst weer eens dat de ‘ecologische voetafdruk’ van de Nederlander in de top tien van vervuilende landen staat.

Maar deze boodschap sneuvelt hier door het gebruikte ‘poëtische taalfilter’ dat te verwarrend is. Het spanningsveld in de taal dat bijvoorbeeld Peter Verhelst wel weet te creëren met even weinig toegankelijke poëzie, is hier afwezig. Zelfs Lautréamont, die met zijn De zangen van Maldoror ook geen gemakkelijk boek schreef, had uiteindelijke wel een duidelijke boodschap, een subtekst; zij het dat die boodschap uiteindelijk weinig positief was voor de gehele mensheid, de schrijver inclusief. Maar beiden schreven wezenlijke teksten voor de poëzie.

In deze bundel van Xavier Roelens komt de lezer er bekaaid van af. Er wordt niet genoeg voor hem gezorgd. Hoewel het schrijven de schrijver wellicht bekeerd heeft tot het vegetarisme, word ik er niet door bekeerd. Integendeel. Af en toe krijg ik het idee te maken te hebben met een preek voor eigen parochie, met teksten louter geschreven voor hen die ook in deze stijl gedichten schrijven en die ook iets ophebben met subsidies.

***
Xavier Roelens was hoofdredacteur van het literaire tijdschrift En er is, stelde met Maarten De Pourq de bloemlezing Op het oog. 21 dichters voor de 21ste eeuw (Uitgeverij P, 2005) samen. Hij is redacteur van In Letterland. Eerder publiceerde hij bij Contact Er is een spookrijder gesignaleerd (2007).

Geplaatst in Recensies.