Hans Groenewegen – Met schrijven zin verzamelen. Over poëzie in de Lage Landen

Zoeker naar de aard van het gedicht

door Joop Leibbrand

Op het blog van Ons Erfdeel viel onlangs te lezen: ‘Ziekte hield hem een tijd weg van de schrijftafel, maar nu staat dichter-criticus Hans Groenewegen er opnieuw.’ Nu blijkt dat Met schrijven zin verzamelen. Over poëzie in de Lage Landen 33 stukken bevat. Hij zal toch wel echt beter zijn?
Van deze stukken verscheen een twintigtal eerder (het oudste is van 2003), voor een belangrijk deel in Dietsche Warande & Belfort. Vele werden voor deze bundeling herschreven. Dertien teksten werden niet eerder gepubliceerd. Elf daarvan betreffen besprekingen van gedichten van Eva Cox, B. Zwaal, Marc Kregting, Rozalie Hirs, Lies Van Gasse, Mark van Tongele, Benno Barnard, Renée van Riessen, Jacobus Bos, Ruth Lasters en Jeroen Mettes.
De dichters die in vaak uitvoerige essays besproken worden zijn Piet Gerbrandy, Elma van Haren, Marije Langelaar, Maarten Blaauw, Hélène Gelèns, Kreek Daey Ouwens, Alfred Schaffer, Hilbrand Rozema, Gwy Mandelinck, Dirk van Bastelaere, Karel van de Woestijne, Peter Verhelst, Bernard Dewulf, Leonard Nolens, Charles Ducal, Ton van ‘t Hof en Kees Ouwens.
Op grond waarvan hij juist deze auteurs behandelt, vermeldt hij niet, maar er zal gegolden hebben wat hij eerder in de inleiding van Schuimen aan de vloedlijn schreef: ‘De keuze van de dichters berust op toeval, aantrekking, afstoting, uitdaging, en de behoefte gecanoniseerd of juist minder bekend werk grondig te onderzoeken.’

Groenewegen opent zijn bundel met het essay ‘Een gedicht een ketting losse noten’, een bewerking van een tekst uit 2008, toen onder de titel ‘Een gedicht een zak noten. Over Lucebert’. In wat nu dus de eerste zin van het boek geworden is, stelt hij: ‘Mensen zijn bang voor poëzie’, en hij preciseert: ‘Mensen zijn bang om alleen te zijn met een dichtbundel – zeker als de naam van een dichter niet vertrouwd klinkt, niet wordt opgeluisterd met herkenningslawaai.’ Vervolgens maakt hij uiteraard duidelijk dat die angst natuurlijk volstrekt onnodig is, mits je maar bereid bent je open te stellen voor wat gedicht en dichter te bieden hebben. In de woorden Luceberts ‘het proefondervindelijk gedicht’:

de zoeker naar de aard van het gedicht en
van des gedichts dichter
hij zal doof zijn voor het ijlingse
loven en laken van modejager & modeverguizer

Niet alleen de lezers zijn namelijk bang, ook de critici, die zelden bereid zijn de vaste kaders van allerlei theorieën los te laten en die, zegt Groenewegen, allemaal lid lijken te zijn van ‘de verzetsgroep tegen close reading’.
Een gedicht is een geheel en om daar greep op te krijgen zijn er twee methoden uiterst geschikt. De beste is die van de vertaling in een andere taal, maar daarna is er geen betere manier om ‘de aard van het gedicht en/ van des gedichts dichter’ te leren kennen dan het uit het hoofd te leren. In het universiteitsblad Vooys hield hij dan ook een pleidooi voor een vorm van poëzieonderwijs waarin het memoriseren van gedichten centraal zou moeten staan. Als studenten iedere week een gedicht uit het hoofd zouden leren en dat vervolgens in de studiegroep zouden voordragen en bespreken, zouden ze na vier jaar over een levende canon van 160 gedichten beschikken. Liefst twintig omschrijvingen van wat een gedicht is, probeert hij hier uit: Van ‘een gedicht is een appel’, tot ‘een gedicht is een angstige verkenning van een blinde die op een slechtziende partner hoopt’ tot ‘een gedicht is een ontwijkend antwoord op een obsessieve vraag die de lezer zelf nog niet kent.’

Voor zijn besprekingen van de afzonderlijke gedichten zegt Groenewegen dat uit het hoofd leren telkens zelf in praktijk gebracht te hebben. Steeds luidt zijn beginzin ‘Vandaag leer ik een gedicht van … uit mijn hoofd.’ Je moet hem maar op zijn woord geloven, het is nog wachten op een openbare overhoring. Het eerste gedicht dat hij zo geïnternaliseerd heeft is ‘Wespen’ van Eva Cox. Hier komt ook de titel van het boek ter sprake. Na uit het gedicht de persoonlijke conclusie getrokken te hebben dat ‘dus’ alles zal verdwijnen, alle essays, alle gedichten, alle auteurs ervan, houdt hij staande ‘[t]egen die lichtdovende en woordenwissende beweging in’ toch ‘zijn zin’ te willen blijven verzamelen. Het is een regel die verwijst naar een gedicht van Piet Gerbrandy uit diens De zwijgende man is niet bitter: ‘Zo veel heb ik nodig dat ik leef.// […]// pen die nog zin verzamelt.’ Drie betekenissen heeft dat ‘zin’ hier: zinnen, betekenis en goesting en aan alledrie geeft Groenewegen zich over.

Het boek kreeg een motto mee van Elias Canetti: ‘Der Größen wahn des Interpreten: er fühlt sich um seine Interpretation reicher als das Werk.’ Een stukje zelfspot, maar Hans Groenewegen is niet bescheiden in de zin dat hij niet zeker van zichzelf zou zijn. Hij toont zich een ernstig onderzoeker, schrijft als de dichter die hij nadrukkelijk zelf ook is vaak opvallend lyrisch, soms met een opeenstapeling van metaforen die aan zijn taal iets exuberants geven. Je zou het ook een tikkeltje bombastisch kunnen noemen.

Je doet aan de hand van Groenewegen ontdekkingen. Hilbrand Rozema kende ik bijvoorbeeld niet, maar na het lezen van Groenewegens beschouwing weet je zeker dat je daardoor iets mist. Dat geldt ook voor de op jonge leeftijd overleden Maarten Blaauw (1974-1999), wiens gedichten, zo wordt duidelijk, een attitude formuleren tegenover de dood in het leven. Het is een nieuw geschreven stuk en het lijkt wel alsof Groenewegen bij het schrijven ervan een persoonlijk belang had.

De bundel bevat heel veel prima stukken, maar die over Elma van Haren, Alfred Schaffer, Peter Verhelst en Kees Ouwens – ‘[m]aakt dat het werk van een groot dichter onverwisselbaar, zijn onverwisselbare twijfel over wat hij kan met wat de taal met hem doet?’ – springen er voor mij uit. Ook de verhandelingen over Leonard Nolens (een samenvoeging van twee essays waarin hij probeert het ‘ik’ van Nolens te definiëren) en Charles Ducal zijn uitstekend. Ik moet bekennen dat ik vanwege Groenewegens autoriteit in dezen die laatste twee beschouwingen pas durfde te lezen, nadat ik zelf iets over beiden geschreven had. En wie wil weten hoe het nu zit met die modieuze flarfpoëzie, mag zich het artikel over het werk van Ton van ‘t Hof niet laten ontgaan. Het is nieuw voor de bundel geschreven, telt negentien bladzijden, is voorzien van 36 noten en maakt van iedere lezer een doe-het-zelf-flarfer.

Groenewegen beperkt zich niet tot één poëtisch genre of één type dichter, doet niet of nauwelijks aan kwaliteitsoordelen, neemt dichters niet de maat en het is duidelijk dat een begrip als ontoegankelijk voor hem niet bestaat. Hij heeft aandacht voor betekenis, vorm en klank, weegt de plaats van het gedicht in de bundel, heeft een scherp oog voor verschuivingen en ontwikkelingen binnen het oeuvre van een dichter. Je proeft dat hij schrijft in voortdurende dialoog met de lezer en dichter die hij zelf is. Hij is bereid zich voortdurend te verantwoorden voor zijn interpretaties, die hij nooit oplegt maar die zich als vanzelfsprekend aandienen, ook als hij, wat meerdere keren gebeurt, op eerdere opvattingen terugkomt. Zijn poëtica is: goed lezen, herlezen, ter discussie stellen. Daarbij valt vooral ook zijn ongelooflijke belezenheid op; het lijkt wel alsof hij alles kent wat de laatste decennia in het Nederlands taalgebied aan poëzie geschreven is.

In een noot bij het essay over Hélène Gelèns schrijft Groenewegen: ‘Als ik over bepaalde poëzie heb geschreven, was mij die de moeite waard – en is ze volgens mij de uwe waard.’
Hij heeft daarin volstrekt gelijk. ‘Zin’ geeft dit boek, volop.

***
Van Hans Groenewegen (1956) verschenen eerder o.a. de essaybundels Schuimen langs de vloedlijn (2002) en Overvloed (2005). Naast essayist is hij ook de schrijver van een vijftal dichtbundels: Grondzee (2000), lichaamswater (2002), en gingen uit sterven (2005), zuurstofschuld (2008) en van alle angst ontdaan (2011). Zijn site geeft een volledig overzicht van zijn andere publicaties.

 

Geplaatst in Recensies.