Wouter Godijn – Hoe H.H. de wereld redde

Door de mazen van het net

door Jeroen Dera

Je moet het maar durven: een dichtbundel publiceren met zes kapitale H’s op het voorplat, in een periode waarin die letterreeks menig lezer aan de gelauwerde roman van Laurent Binet zal doen denken (HhhH – Hitlers hersens heten Heydrich). Met zijn zevende dichtbundel Hoe H.H. de wereld redde nam Wouter Godijn de gok. En waarom ook niet: na het pompeuze Wiegeliederen en blaaskikkermuziek is het poëziepubliek al het een en ander van hem gewend. Datzelfde publiek wordt door de titel van Godijns jongste worp bovendien stevig geprikkeld: een H.H. die de wereld redt – zou dat allicht Ter Balkt zijn?
Gefascineerd door deze (schijnbare) intertekstuele inbedding van de bundel nam ik Hoe H.H. de wereld redde ter hand. Bij een eerste oriënterende lezing stuitte ik op het titelgedicht, waarin H.H. niet Herman Hendrik, maar Herbie Hancock blijkt te zijn:

HOE H.H. DE WERELD REDDE

Het was weer eens zover: Herbie Hancock moest de wereld redden.
Maar eerst was het tijd voor zijn ochtendgymnastiek.
Toen hij daarmee klaar was deed hij het

en daarna vroeg hij zich af: heb ik nu tien diepe kniebuigingen gemaakt?
of heb ik er, omdat ik in gedachten onwillekeurig bezig was met datgene
wat ik na mijn ochtendgymnastiek moest doen,
misschien een paar overgeslagen?
Hij besloot voor alle zekerheid nog een paar diepe kniebuigingen te maken.

Je moet Godijn nageven dat hij gevoel voor absurdisme heeft: een jazzmuzikant die een pseudo-superheld wordt en zijn ochtendgymnastiek vervolgens belangrijker vindt dan onmiddellijk ingrijpen bij groot gevaar – het moet je humor zijn, maar droge kost is deze poëzie beslist niet. Het probleem is echter dat de grollen zozeer de overhand nemen, dat de vraag die het gedicht in eerste instantie interessant maakt – hoe gaat H.H. die wereld precies redden? – geheel naar de achtergrond verdwijnt. Godijn serveert de kwestie (en daarmee het gedicht) af in het volstrekt vage ‘deed hij het’, waardoor hij de indruk wekt weinig wereldschokkends met zijn poëzie te zeggen te hebben.
Ik vind dat een gemiste kans, zeker omdat Godijn zich in het openingsgedicht van de bundel profileert als een auteur die afrekent met het clichébeeld van poëzie als romantische registratie van een natuurgevoelige dichtersziel. ‘Ik was ook zo’n dichter’, stelt hij ten aanzien van een strofe waarin de fijnbesnaarde verwondering besproken wordt:

een beetje giraffeachtig,
rondschrijdend, aandachtig proevend:
gebladerte, een vluchtig passerende vlinder,
een enkel, luchtig knapperend vinkje;
verwonderde dichters.

Ik betwijfel of Godijn ooit het type dichter is geweest dat ‘luchtig knapperende vinkjes’ bezingt – daarvoor moet je eerder bij Sjoerd Kuyper zijn, die schaamteloos over klapwiekende zwaluwtjes schrijft – maar zijn ironisering van de afgezaagdheid maakt hoe dan ook nieuwsgierig naar wat hij voor de passerende vlinders in de plaats wil stellen. Het lijkt erop dat dat vooral een associatieve gedachtestroom moet zijn, die vooral niet ‘te strak, hoekig, te uitgesproken, te niets’ is, maar eerder ‘een spoor van punaises’, dat de lezer moet volgen en waaraan hij zich zo nu en dan verwonden zal.
Die poëtica klinkt nogal vaag, maar wie Hoe H.H. de wereld redde leest, krijgt er een aardige voorstelling bij. Het begin van het gedicht ‘Haas in wording’ is een goede illustratie van de punaisepoëzie die Godijn serveert:

Mijn lichaam staat op een kier. Zo goed?
Of toch maar wijd open. Beter. Om welkom te heten: jajaja!
daar komt de eerste letter al, een d …? Precies wat u dacht…? Nouwwww –
tis niet wat ik zelf in gedachten had. Ik wou een h
zoals sommige restaurants hun deuren voor je openspreiden als uitnodigende
moederarmen
kommm dan kommm dan! (…)

Het fragment hangt van associatieve procédés aan elkaar: in de tweede regel herziet de dichter onmiddellijk de claim uit de openingszin; vervolgens ondermijnt hij zijn scheppende controle door een andere letter op te voeren dan hij ‘in gedachten had’ en ten slotte doorbreekt hij de logica door een ‘h’ te koppelen aan restaurantdeuren (die weer aansluiten bij het lichaam dat wijd open staat). In poëzie die strak, hoekig of uitgesproken is, resulteren deze regels dan ook niet: Godijn stuitert eerder alle kanten op en laat de lezer verbouwereerd achter. In mijn geval kwam daar bovendien een aardige dosis irritatie bij, door het aanstellerige ‘kommm dan kommm dan!’ en het zo mogelijk nog ergerlijke ‘Nouwwww’.
Zulke ergernis is enigszins positief te duiden, in die zin dat ik tijdens het lezen van Godijns poëzie vaststelde dat ik in elk geval iets voelde bij deze gedichten. Feit blijft echter dat het in Hoe H.H. de wereld redde vooral bij kitscherige overdaad blijft; bij ironie en absurdisme dat gespeend is van enige originele wereldvisie. In plaats van de lezer te verrijken, kan een gedicht als ‘Queen’ bijvoorbeeld het niveau van de slapstick niet overstijgen. Aan het begin van het gedicht treft het lyrische ik, dat later expliciet wordt gelijkgesteld aan de dichter, de koningin aan op de groenteafdeling van een supermarkt:

Ben ik in de supermarkt ja je raadt nóóit
wat me overkomt zie ik daar een koningin heel gewoon
tussen de tuinbonen en de hoe heet ut? de gerapste bietjes
(die lui van de marrekutting beschouwen zo’n majesteit kennelijk als een soort
groente)
ze was in de aanbieding als je zo’n dinges zo’n kaart had
ik denk dat laat ik me geen twee keer zeggen
ik zet ur in me karretje en ik hop naar de kassa’s

Net als het titelgedicht heeft ‘Queen’ de potentie op de lachspieren te werken – niet alleen door het absurdistische idee vanwaaruit Godijn vertrekt, maar ook door het koddige gebruik van het spreektalige in zowel de syntaxis als de spelling van het gedicht. Maar wat is nu de inzet van deze exercitie? Neemt Godijn het Koningshuis op de hak met deze spraakwaterval, die uitmondt in de aanbeveling ‘neem een koningin in huis je ken se gewoon bij de super krijgen / iedereen se eigen queen kunnen we die Oranjes mooi afschaffen / die koste me toch een bak geld – dit is ja veel goedkoper’? Als dat zo is, dan lijkt het woord ‘goedkoop’ hier beslist op zijn plaats, want echt inhoudelijk wordt Godijn nergens. Eerder bijt hij zichzelf in de staart, door de uithaal naar ‘die lui van de marrekutting’, die feitelijk op hemzelf gericht is: voor zover ik kan overzien, is het immers niemand anders dan Godijn die de koningin tussen de groentebakken plaatst.
Naar aanleiding van Godijns bundel De zieken breken (2008) schreef Erik Lindner in Poëziekrant: “De gretigheid [van Godijn] om zich als een melige gek te presenteren, is ongekend.” Precies dat is wat Hoe H.H. de wereld redde in mijn ogen opbreekt. Het maakt niet uit hoe ernstig de thema’s zijn, of Godijn maakt er een grapje van:

                                                       (…)        Niet
zal ik meemaken: het opraken van de fossiele brandstoffen, het zo hoog zetten
van de planeetthermostaat dat de gevolgen een grootse, groteske, gruwelijke
gedaante aannemen. Als een vis door de mazen van het net ben ik
ertussendoor geglipt. Dank. Dank. Dank
o godin van het toeval. (…)

Met de komst van Fortuna is de zaak, meteen nadat de dichter haar aanstipte, onmiddellijk afgedaan. Daardoor blijft de problematiek onherroepelijk in het luchtledige hangen – het valt eerlijk gezegd nog mee dat Herbie Hancock de thermostaat niet wat lager komt zetten. Misschien had de titelheld het te druk met zijn ochtendgymnastiek, want uiteindelijk verkiest deze bundel ironisering en relativisme boven visie en urgentie. Dan zie ik H.H. toch liever gewoon als Ter Balkt, die eens aantekende: ‘Poëzie is géén spel, zelfs geen kinderspel … Poëzie is een vlag op een modderschuit, een vrolijke vlag die wappert boven de woede.’ Die vrolijke vlag, die zie ik bij Godijn nog wel. Maar de modderschuit en de woede? Die liggen geloof ik nog erruguns in de groentebak.

***
Wouter Godijn (1955) debuteerde in 1997 met de roman Witte tongen en schreef daarna nog de romans De dood van een auteur die een beetje op Wouter Godijn lijkt (2007) en Mijn ontmoeting met God en andere avonturen (2010).
Als dichter debuteerde hij met Alle kinderen zijn van glas (2000). Daarna volgden Langzame nederlaag (2002), De karpers en de krab (2003), Kamermuziek, of De weg naar onverschilligheid (2005), De zieken breken (2008) en Wiegeliederen en blaaskikkermuziek (2010).

Geplaatst in Recensies.