David Troch – buiten westen

Zij aan zij voor de beeldbuis

door Levity Peters

Hoe voel je je, na het lezen van een hele dichtbundel over niets anders dan mensen die niet werkelijk, niet voluit leven?
Zij willen of durven niet, en zijn alleen maar bezig hun tijd te doden. De tv staat centraal, in het café ‘wijze’ weerspreuken en gesprekken over politiek, in relaties de gewenning aan elkaar en een iets boeiender verleden, dat soms wordt herdacht, muziekfestivals, hotelkamers:

[…] bijvoorbeeld op
de arc de triomphe. in parijs rijst
het voordehandliggende: of ze

oud en of ze samen, vragen
om te bewaren. triomfantelijk
lachen ze in de lens. ze strekken

de armen, wanen zich napoleon.
later laten ze zich gelaten uit over
hoe ze destijds de wereld zagen

[uit: ‘zij aan zij’]

Als Hollandse rijtjeshuizen staan ze in het gelid deze gedichten. Elk gedicht, dat over deze lege levens gaat, bestaat uit drie of vier drieregelige strofen waarvan de regels vrijwel even lang zijn. Behalve het laatste gedicht van de bundel, dat een vrije vorm heeft en dat geïnspireerd blijkt te zijn op de versregel ‘Zo heb ik, toen jij geboren was, een dag/ door bossen gelopen’ van Herman de Coninck.
Wat had ik na het lezen van deze troosteloze bundel behoefte aan diens levendige poëzie, zo sensueel als die kan zijn, zo doortrokken van liefde voor het leven, zelfs in zijn somberste zinnen. De troost van het pessimisme.

Uit de gedichten van David Troch valt weinig troost te putten. Ze zijn dan ook niet somber; ze zijn saai en ze zijn vreemd. Lees het volgende gedicht uit de reeks ‘zij aan zij’:

het knettergekke hout en de sfeer
van muziek en kandelaars. zo zijn
hun lange avonden wel eens vol

van spelletjes met dobbelstenen
en zuid-afrikaanse wijn. hoe hard
ze ook willen winnen, ze verliezen

nooit elkaar, lachen kamerbreed
om de stomste stoten, de zotste
zetten, de wildste wendingen.

de wereld gaat voorbij, het enige
wat telt is zij, alleen aan de andere
kant van het raam valt de nacht.

Een adembenemende sufheid kwam over mij, een verontrustende lethargie.
Het knettergekke hout bracht niets teweeg. Noch de sfeer van muziek en kandelaars. Misschien verkeerde muziek en lege kandelaars.
Wat begon als een gedicht over twee mensen en hun lange avonden, eindigde als een gedicht waarin de vrouw door de man tot hoofdpersoon werd verheven, als enige die telt! De wereld mag voorbij gaan, geen centje pijn – het enige wat telt is zij. En buiten valt de nacht; wel te verstaan alleen aan de andere kant van het raam. Ook ik heb kamerbreed moeten lachen om de wilde wendingen van het bordspel. De stomste stoten waren waarschijnlijk die waarmee pionnen werden omgestoten. Ook de dichter was slaperig geworden.
Nee, hij was buiten westen.

De niet te overbruggen afstand tussen twee mensen, laat ik het voorlopig maar daarover hebben. Het laatste gedicht uit deze reeks:

de deurbel op een doordeweekse
ochtend. Wie wil er dat zij wakker
wordt ? Met een ontbijtmand komt

hij de kamer in. zij stomverbaasd,
fronst haar voorhoofd slechts. Hij
mompelt iets van maanden en dat

overvloedigheid daar bij past. Elke
dag mag van champagne zijn en ze
klinken glas na glas. Hij moet zich

geen moed indrinken, vermoedt
wat op haar lippen ligt, hij vraagt
haar naar geluk. één woord wil hij.

Arme, arme man. Liefdesbedelaar. Hij moet zich maar geen moed indrinken. Ik hoop van harte dat hij niet samenvalt met de dichter. Maar zelfs wanneer zijn protagonist nergens samen valt met de dichter, dan nog getuigt de bundel van een deplorabel beeld van het menselijk bestaan.

In de reeks ‘De vergeetachtige’ is er sprake van een grootmoeder die haar geheugen verliest, waanbeelden krijgt, irreële verwachtingen, angsten.

[…] als jij mijn kleinzoon was, zou jij

mij hier niet achterlaten, jij zou mijn spullen
pakken, me in huis nemen en te eten
geven, jij zou uitstekend voor mij zorgen.

Maar zij hoeft het niet, en omgekeerd is hij niet van plan om voor haar te gaan zorgen.

Totdat ik het laatste, zeven pagina’s lange gedicht las, dacht ik: misschien moet Troch poëzie in een vrijere vorm gaan beoefenen, misschien dat er dan meer ruimte komt voor gevoelsaffecten. Misschien moet hij in navolging van De Coninck wat erotiek in zijn werk toelaten, zijn fantasieën de vrije loop laten. Wanneer hij daar te beschroomd voor is, kan hij de dood proberen. Laat hij eens kijken hoe ver zijn verbeelding reikt; laat hij alle heilige huisjes schenden, vooral die van de welgemanierde poëzie.
Boven alles: laat hem schrijven over wat hem werkelijk bezig houdt. Laat hij zichzelf bloot geven.
‘Nakedness my shield’, schreef de Amerikaanse dichter Roethke.

Mijn hoop op een levend gedicht, die door alle mistroostigheid al was ingedeukt, sloeg om in verontwaardiging bij het lezen van het laatste lange gedicht. Hoe meer gedichten ik had gelezen, hoe vaker ik had moeten denken aan schrijfoefeningen. Je verstaat je vak en werkt een thema uit. Je hebt het gevoel dat je over alles kunt schrijven, en dichten vind je leuk.
Allemaal goed en wel, maar dat je jezelf als dichter ziet, dichter wordt genoemd, ontslaat je niet van je plicht om, wanneer je publiceert, de lezer(es) minstens een klein beetje te verrassen. De beste manier om dat te doen is door jezelf te verrassen.
Dat laatste gedicht: ‘Op een dag zal ik door bossen lopen’ was een opdracht, het werd dan ook een maakwerkje:

op een dag zal ik door bossen lopen
zoals een dichter

dat ooit deed. Je moet onnoembaar veel
van poëzie houden om dat te doen,

om je er een stem bij voor te stellen
die is fijngemalen door Duvel en door whisky:    (sic, LP)
moeten moet het niet, het mag
het helpt

[…]
later, als daar tijd voor is,
hou ik mijn hart vast
en mijn adem in

Later, als daar tijd voor is ! Waar heeft hij het over ?
De dichter gaat verder:

dat heb je dan met dichters,
die zien wat er niet en nog niet is,

die merken al je misstappen,
hoe je vergeefs naar takken grijpt,
klappert met armen en lelijk valt.

Ze merken al jouw misstappen op, de pretentieuze dichters, maar blijkbaar zien ze niet, hoe beroerd ze schrijven. Misstappen en misgrijpen werden met elkaar verwisseld. En de dichter heeft nog nooit een ongevleugeld kind uit een boom zien vallen; dat klappert niet.
Ik dacht: Ga toch fietsen dichter! Je bent nog jong. Fiets jezelf wakker! De wind zal huilen. En schrijf voortaan met urgentie.

***
Oud-Meandermedewerker David Troch (1977) publiceert her en der poëzie en proza, heeft een reputatie als podiumdichter, is redacteur van Kluger Hans, droeg een jaar lang de titel Ambassadeur van de poëzie van de stad Gent en won in 2012 de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd. Eerder verscheen van hem bij het PoëzieCentrum laat[avond]taal.

Geplaatst in Recensies.