Wereldpoëzie

Voor dit zomernummer maakte Sander de Vaan een selectie uit de meest recente bijdragen voor de rubriek Wereldpoëzie.

Erich Fried (Oostenrijk)

Wat het is

Het is onzin
zegt het verstand
Het is wat het is
zegt de liefde

Het is tegenslag
zegt de berekening
Het is alleen maar pijn
zegt de angst
Het is uitzichtloos
zegt het inzicht
Het is wat het is
zegt de liefde

Het is belachelijk
zegt de trots
Het is lichtzinnig
zegt de voorzichtigheid
Het is onmogelijk
zegt de ervaring
Het is wat het is
zegt de liefde

(vertaling: Geert van Istendael)

Luis Cernuda (Spanje)

Het geval van de vermoorde vogel

Nooit zullen we weten, nooit,
om welke reden op een dag
die lichten lichtjes flikkerden;
was het een droevig schuim,
een sterkere bries of niets wellicht.
Alleen de golven die het weten.

Minachtend tonen zij daarom vandaag
hun kleur van ogen,
hun kleur nog onbekend, zelfs als een herinnering
iets tot hem zingt, iets op zachte toon.

Het was een vogel die misschien vermoord was;
niemand die het weet. Door niemand
of door iemand die triest is misschien op de stenen,
op de muren van de hemel.

Maar daarvan weet men niets vandaag.
Alleen een lichte flikkering van lichten,
een kleur van ogen in de golven of de bries;
en ook, wellicht, een angst.
Alles, inderdaad, onzeker.

(vertaling: Stijn Kleijnen)

Niels Hav (Denemarken)

Als ik blind word

Liefde maakt blind –
en elke dag als de blinde
hier voorbij komt trippelen met zijn stok,
valt het verkeer een kwart seconde volkomen stil,
terwijl Gods engelen opstijgen en neerdalen –
en de oogarts zijn kliniek sluit.

Liefde maakt blind,
maar seks is onschuldig: aan mijn ogen mankeert niets,
ik zie alles.

Daarom mislukken al mijn liefdesgedichten.
Met gesloten ogen fluister ik in de telefoon,
en buiten voor het station staat de blinde
als een heilige evangelist
en neuriet in de regen
– gehandicapt door de liefde.

Pas verliefden kussen elkaars vingertoppen,
dat weet ik best.

(vertaling: Jan Baptist)

Wislawa Szymborska (Polen)

Lof van de geringe eigendunk

De buizerd heeft zichzelf niets te verwijten.
Scrupules zijn de zwarte panter vreemd.
Piranha’s twijfelen niet of hun daden wel rechtmatig zijn.
De ratelslang aanvaardt zichzelf zonder voorbehoud.

Jakhalzen met zelfkritiek zijn onbestaanbaar.
Sprinkhaan, kaaiman, haarworm, horzel
leven zoals ze leven en zijn er gelukkig mee.

Honderd kilo weegt het hart van de zwaardwalvis
maar in een ander opzicht is het licht.

Niets is dierlijker
dan een zuiver geweten
op de derde planeet van de zon.

(vertaling: Gerard Rasch)

Federico García Lorca (Spanje)

Verwondering

Dood bleef hij liggen op straat
met een dolk in zijn borst.
Niemand die hem kende.
Wat trilde de lantaarn!
Moeder.
Wat trilde het lantaarntje
op straat!
Bij dageraad. Niemand
kon nog in zijn ogen kijken
die staarden in de harde lucht.
Ja, dood bleef hij liggen op straat,
en met een dolk in zijn borst
en niemand, niemand die hem kende.

(vertaling: Bart Vonck)

Miroslav Holub (Tsjechië)

Dromen

Ze drinken uit mensen
net als de maan uit dauw.
Een touw groeit recht
uit de kruin omhoog.
Een zwarte zwaan komt
uit een kiezel.
En een zwerm engelen aan de hemel
volgt een avondcursus
slippen.

Ik droom, zo droom ik.
Ik droom
dat driemaal drie negen is;
dat de regel
van de rechterhand geldt;
en dat op de platgetrapte plek,
als het circus is vertrokken,
weer gras groeit.

Ja, gras.
Ondubbelzinnig gras.
Gras, zomaar.

(vertaling: Jana Beranová)

Sirkka Turkka (Finland)

De sterren lijken weer een huilerige ballade, en iedere avond
stemmen de honden hun gebarsten violen.
Ik geef het verdriet geen ruimte,
laat het niet dichtbij komen.
Duizend meter sneeuw op mijn hart.
Ik mompel veel in mezelf, op straat
zing ik hardop.
Ik zie mezelf soms in het voorbijgaan, met een hoed op, prima voer
voor de wind, en een scheve gedachte.
Ik praat over de dood als ik het leven bedoel. Gooi m’n papieren
door elkaar, heb geen enkele theorie, alleen een vloekende hond.
Als ik om een borrel vraag, krijg ik een ijsje,
misschien ben ik toch een Spanjaard, met zo’n lage
haargrens, nee echt:
ik ben niet van hier, denk ik.
Ik zweet, probeer te praten, af en toe
tril ik weer.
Bijna meer dan dat ik moet sterven betreur ik dat ik geboren ben.
En alles wat ik vraag
is duizend meter sneeuw op mijn hart.

(vertaling: Adriaan van der Hoeven)

Boris Ryzji (Rusland)

Als ik terugkom uit Nederland, geef ik je Lego,
en dan bouwen we samen een prachtig kasteel.
Je kunt jaren en mensen tot terugkeer bewegen,
en ook liefde – wat zeg ik, er is nog zoveel.
Ik ging weg voor altijd, maar terug zal ik komen,
en dan reis ik met jou naar de zon en de zee.
Of we huren gewoon iets goedkoops voor de zomer
en we tellen ons geld en misschien valt het mee.
We gaan leven en luieren tot het gaat sneeuwen.
En als zoiets niet lukken mocht eventueel –
nou, dan stuur ik, mijn zoon, je uit Nederland Lego,
en dan bouw je maar zelf een fantastisch kasteel.

(vertaling: Anne Stoffel)

Tomas Tranströmer (Zweden)

Het paar

Zij knippen de lamp uit en de witte kap
glinstert een ogenblik voordat hij oplost
als een tablet in een glas duisternis. En dan opstijgt.
De hotelmuren rijzen in het hemelduister omhoog.

De bewegingen van de liefde zijn weggeëbd en zij slapen
maar hun geheimste gedachten ontmoeten elkaar
zoals twee kleuren elkaar ontmoeten en ineenvloeien
op het vochtige papier van een schooljongensaquarel.

Het is donker en stil. Maar de stad is vannacht
opgerukt. Met gedoofde ramen. De huizen kwamen.
Heel dichtbij staan zij opeengepakt te wachten,
een volksmassa met uitdrukkingsloze gezichten.

(vertaling: Bernlef)

Geplaatst in Krant.