Michaël Slory – Torent een man hoog met zijn poëzie

Bij de honing zo heerlijk

door Joop Leibbrand

Bij In de Knipscheer (waar anders?) verscheen een mooi uitgegeven verzamelbundeltje met gedichten van de oude Surinaamse bard Michaël Slory (1935). Torent een man hoog met zijn poëzie bevat 46 Nederlandstalige gedichten uit de periode 1995-2005, aangevuld met zeven gedichten in het Sranantongo. Deze gedichten uit de jaren 1973-1975 werden vertaald door John Leefmans. De Spaanstalige gedichten die Slory ook schreef, ontbreken.

Torent
een man hoog
met zijn poëzie,
des te lichter
de woorden
die stromen
uit zijn heelal.
Des te weidser
de verspreiding
van zijn gedachten
in het al.

In zijn nawoord benadrukt Michiel van Kempen de ‘paradijselijke ingesteldheid’ van deze dichter, die al in 1961 debuteerde met Sarka/Bittere strijd.
In alles ziet Slory het grotere, ‘de huif van de kosmos, noem het God’. Slory is een dichter die én de taal viert, én het leven, waardoor zijn werk vaak iets euforisch heeft.

Alsof er vlinders
fladderden uit je haren
en een licht ballet dansten
om je heen
van één twee drie
één twee drie
verrukking bewerkend
in mijn bloed.

Oh één stonde,
één stonde ik dan
tot hemel verheven!

Maar niet alles genereert dankbaarheid, want hij ziet ook scherp de grote en kleine inbreuken op de ‘aardsparadijselijkheid’, van de slavernij tot de rotzooi die mensen letterlijk en figuurlijk kunnen veroorzaken.
Veel gedichten hebben een ethische lading.

Bescheidenheid siert de mens

Vind je niet
dat jouw eigen maaksels
jouw handen al na één dag
zijn ontgroeid?

Vind je niet?
Vind je niet
dat ergens
zonder jou
iets anders broeit?

Vind je niet?

Korte regels, veel herhalingen, een overvloed aan vraagtekens en uitroeptekens. Dit is poëzie die wil communiceren, die uitgesproken moet worden en gehoord. De lezer moet ontvankelijk zijn voor de suggestieve kracht, hij moet met warmte kunnen lezen en luisteren, mee beleven.
Intellectueel valt er weinig aan te beleven, maar de gedichten hebben een sympathieke uitstraling. Ik denk dat je het land moet kennen, om de achterliggende mentaliteit op de juiste waarde te schatten. Eén kort gedicht trof ik aan dat je bijna als onvervalst Hollands zou kunnen bestempelen:

Bewogen door de wind als was ik riet
Gebogen, heen en weer, en zo om niet.
Alsof ik niks was in de dans der elementen.
Bewogen door een stilte die mij het antwoord liet.

Een enkele keer deed Slory me in zijn fijnzinnigheid aan Wilfred Smit denken. Maar die woonde dan ook tot zijn vijftiende in Nederlands-Indië!

Stilaan daar
onder de watervalletjes
van het woord,
vermaan de bloemen niet,
noch hun aroma,
en nog minder
hun droom van maan.

Hoewel het werk dus duidelijk in een orale traditie staat, zijn de gedichten niet neergezet in brede, epische streken. Slory blijkt in de eerste plaats een taalkunstenaar te zijn die de bijzondere facetten van de werkelijkheid die hij waarneemt, bijslijpt tot juweeltjes. Ieder gedicht een geschenk, ik denk dat hij het zo bedoelt.

Bij een bamboebos
Concierto de Aranjuez (Joaquín Rodrigo)

Kan de bamboe
ook zo zingen en kraaien
Joaquín Rodrigo?

Alles dooreen:
de harp, de citer, de luit
en nog meer
in een juichlied
van vreugde.

O ik waan mij terug
tussen de kreeften
en de kreken die uitlopen
naar zee.
Bij de honing zo heerlijk:
van de parwabossen.

Geplaatst in Recensies.