Klassieker 160: Gery Florizoone – Drie knotwilgen

door Herbert Mouwen

Meander Klassieker 144

Herbert Mouwen bespreekt een sleutelgedicht van de Vlaamse dichter Gery Florizoone. ‘Drie knotwilgen’ is een persoonlijk, poëticaal gedicht, dat minimaal vanuit vier perspectieven is te benaderen. Het is de toegang tot het poëtisch oeuvre van Gery Florizoone.

Drie knotwilgen

Staan drie knotwilgen
in mijn geheugen uiteen
de zondag aan te kleden.

De ene een gebogen kind
groene baarsjes schrijvend,

de andere appelmanden
vlechtend om de herfst
van weemoed te bevrijden

en mijn geliefde aan de wal,
een moeder teelaarde
van binnen zacht en warm,
die mij de eerste woorden
van geluk over het water reikte.

Gery Florizoone (1923-1986)

Uit: Verzamelde Gedichten 1973-1986, Den Gulden Engel, Wommelgem, 1986.

Drieëenheden in een gedicht van Gery Florizoone

1. INLEIDING
Het was een regenachtige dag. Ik snuffelde wat rond in een boekhandel, nam Gery Florizoone’s Verzamelde Gedichten 1973-1986 in mijn handen en bladerde door het 525 pagina’s tellende boek. Florizoone, een fascinerende naam, van de dichter had ik nog nooit gehoord. Ik las een paar van zijn korte gedichten en hoefde niet lang na te denken. Ik kocht de verzamelbundel, ging naar huis en bleef een paar uur lezen om bij het gedicht ‘Drie knotwilgen’ uit te komen, het openingsvers van de gelijknamige debuutbundel die in de maand dat de dichter 53 jaar werd verscheen. Eén ding wist ik na lezing zeker: dit openingsgedicht is de toegang tot een authentiek oeuvre, dat zich kenmerkt door een persoonlijke thematiek en religieuze natuurbeleving en dat een volstrekt eigen idioom heeft. Overigens bleek na enig speurwerk dat de dichter Gery Florizoone niet zo onbekend was als ik dacht. Deze Vlaamse priester-dichter, die geboren werd in Adinkerke in de Vlaamse Westhoek (1923) en door een tragisch vliegtuigongeluk omkwam (1986), heeft een grote schare bewonderaars in West-Vlaanderen, maar is in Nederland hoogstens bij een kleine groep (natuur)poëzieminnaars bekend.1) Veel van zijn gedichten zijn vanuit een verschillend perspectief te lezen. Dat geldt zeker voor het gedicht ‘Drie knotwilgen’.

2. DE NATUUR: HERINNERING AAN DRIE KNOTWILGEN
‘Drie knotwilgen’ is een herinneringsgedicht, voor de dichter een moment om zich een indringend natuurbeeld van vroeger te herinneren en dat op de dag dat je daar tijd voor hebt: de zondag. Gaat het hier om bomen bij het ouderlijk huis, de boerderij, een dierbare plek op het Vlaamse platteland? Hoewel de ‘ik’ niet genoemd wordt in het gedicht is deze wel aanwezig in ‘mijn geheugen’. Drie knotwilgen staan de zondag aan te kleden. Zondag, bij uitstek de niet-werkdag voor de werkmens om je mooi aan te kleden. Voor kerk- en familiebezoek bijvoorbeeld. In de eerste strofe kleedt de verborgen ‘ik’ zich niet, maar wordt de zondag aangekleed door het herinneringsbeeld aan deze drie bomen. De boom is het symbool van het leven. Een knotwilg is een boom die eerst een zevental jaren vrijuit mag groeien, de eerste levensfase, en daarna door de mensen onderhouden wordt en daardoor zijn vorm behoudt, hoewel hij in de loop der jaren steeds dikker wordt, soms zelfs splijt. De knotwilg lijkt in het gedicht van Florizoone het symbool van het beheerste leven, niet een ongeremd leven vrijuit, maar een leven dat zich kenmerkt door matigheid. Het leven kort gehouden, gecultiveerd, niet woest, zoals het hoort. De drie knotwilgen staan ‘uiteen’, er is één beeld van de drie bomen die tegelijkertijd onafhankelijk van elkaar zijn.

Bij de eerste knotwilg komt het beeld van de opvallende vorm terug bij de dichter. De knotwilg is kromgegroeid of aan de oever van het water weggezakt. De wilgentakken raken het wateroppervlak (‘schrijven’) en in het water zien we ‘groene baarsjes’ wegschieten. Het beeld van een (voorover)gebogen kind dat in het water schrijft en dat gekoppeld aan de wegschietende, groene baarsjes is fraai gekozen.

In de derde strofe die de tweede knotwilg presenteert, gaat het over de wilgentenen die gebruikt worden om ‘appelmanden’ te vlechten, zonder dat dit ambacht overigens expliciet genoemd wordt. Wel is er een opvallende verschuiving zichtbaar: de tweede knotwilg is de actieve persoon die vlecht ‘om de herfst / van weemoed te bevrijden’. In werkelijkheid is de knotwilg altijd het object dat de handeling van het wilgentakken snoeien passief ondergaat. En dan is er nog de vraag of (1) er sprake is van een ‘herfst van weemoed’ in de betekenis van ‘een weemoedige herfst’; de herfst die per definitie weemoedig is en daarvan bevrijd wordt of (2) dat ‘de herfst bevrijd wordt van weemoed’. Op de interpretatie van ‘herfst van weemoed bevrijden’ kom ik nog terug.

De herinnering aan de derde knotwilg (‘mijn geliefde aan de wal’) werkt de dichter het meeste uit. Het is opvallend dat de drie strofen waarin de drie knotwilgen uitgewerkt worden verschillende lengtes hebben: resp. twee, drie en vijf versregels. Het leidt naar verschillende volumes van de strofen, dus van dunste (jongste) naar dikste (oudste) boom.

Belangrijk is de interpretatie van het woord ‘geliefde’ bij de derde knotwilg. Bij een formele benadering stel ik de vraag: gaat het hier om een bijvoeglijk naamwoord (‘mijn geliefde knotwilg’) of een zelfstandig naamwoord (‘mijn geliefde’), waarbij je aan een persoon denkt. En wie is dat dan? De rest van de strofe met het kernwoord ‘moeder’ en de verdere, associërende uitwerking is dan, wat de interpretatie betreft, sturend en dat brengt me bij een ander perspectief.

3. HET GEZIN: KIND, VADER, MOEDER 2)
De drie knotwilgen zijn een metafoor van drie personen van het gezin uit de kindertijd. De dunste knotwilg – zoals gezegd: de strofe telt slechts twee versregels – is het pure, onschuldige kind dat met zijn vinger of met een stokje in het water roert. Het kind staat nog heel dicht bij de natuur en communiceert – al schrijvend – in alle openheid met de vissen. Het water lokt, kinderen kunnen communiceren met dieren. Groene baarzen zwemmen groepsgewijs in ondiep, helder water. Ze zijn daarom altijd zichtbaar, ook al zwemmen ze enigszins tegen de bodem aan. Opmerkelijk is dat de dichter zich zijn kindertijd actief herinnert in de vorm van het onvoltooide deelwoord ‘schrijvend’, alsof hij (de gedachten aan)deze tijd nooit heeft losgelaten.

De tweede knotwilg (derde strofe) staat voor de hardwerkende vader in het gezin, die ouder wordt en weet dat de ‘herfst’ van zijn leven ‘weemoed’ zal brengen. Wat overblijft voor de noeste werker na een arbeidzaam leven is slechts de melancholie van de dierbare herinneringen aan vroeger, toen hij als boer of landarbeider nog meetelde. Zolang hij werkt ‘appelmanden vlechtend’ weet de werkmens zijn ouderdom nog voor zich uit te schuiven, grip te houden op de tijd, al is dat zinloos en slechts schijn. Ook in deze strofe is het gebruik van een onvoltooid deelwoord (‘vlechtend’), dat hier de alsmaar voortdurende continuïteit van het werken uitdrukt, uitermate betekenisvol.

Bij de derde knotwilg wordt het beeld van de ‘moeder’ uitgewerkt in beelden die typische moederlijke eigenschappen behelzen, waardoor ze een soort oermoeder wordt. Ze is iemand die de dichter liefheeft en die veiligheid biedt (‘mijn geliefde aan de wal’), symbool van vruchtbaarheid (‘een moeder teelaarde’) en (baarmoederlijke) warmte, bescherming, groei (‘van binnen zacht en warm’). Moeder leerde hem de taal (‘eerste woorden’), gaf hem geluk (‘eerste woorden van geluk’) en hielp hem bij moeilijkheden (‘over het water reikte’). Het moederbeeld van de dichter is uitgebreid, zo niet compleet weergegeven.

4. DE LEVENSLOOP: KIND, VOLWASSENE, DICHTERSCHAP
‘Drie knotwilgen’ is een ontwikkelingsgedicht. Het behandelt de levensloop van een mens in drie fasen, uitgedrukt in de groei van drie knotwilgen. Ik ontkom er niet aan om deze levensloop aan die van de dichter zelf te koppelen. Dat betekent dat het hier gaat om (1) een jongeman die een keus maakt voor het priesterschap, (2) de volwassen, werkzame priester en (3) een priesterschap dat uitmondt in een dichterschap dat zich op oudere leeftijd manifesteert. Zijn dichterschap bestrijkt een periode van ongeveer 15 jaar ‘openbaar’ dichterschap. Florizoone publiceerde zijn eerste gedichten vanaf 1974 in tijdschriften. De debuutbundel Drie knotwilgen verschijnt in 1976. Natuurlijk gaat het hier om het moment waarop de dichter naar buiten treedt met zijn poëzie en de werkzame periode erna als dichter, waarschijnlijk is hij heel zijn leven daadwerkelijk of voor zijn gevoel al dichter geweest.

Misschien gaat de verwijzing van ‘groene baarsjes schrijvend’ naar het beeld van de vis (het Oudgriekse woord Ichthus) als symbool voor christen zijn wat ver. De letters betekenen: Jezus Christus Gods Zoon Redder. Ik wil deze verwijzing toch noemen, omdat het dichterschap van Floorizoone vanuit zijn priesterschap en zijn geloof duidelijk beïnvloed is door zijn religieuze beleving van de natuur, hoewel dat in dit gedicht niet zo expliciet is. De tweede knotwilg staat dan voor zijn volwassenheid en het functioneren als priester (‘appelmanden vlechtend’). De appels, die je maar beter kunt verzamelen en weghouden van de mensen, die staan voor de verleiding tot het kwaad. Of zijn het vruchten, opbrengsten die je in manden aan de mensen uit kunt delen, elementair voedsel direct ontleend aan de natuur?

De derde knotwilg in de vierde strofe (‘de geliefde aan de wal’) is het dichterschap dat hij bij zichzelf ontdekte en dat van binnenuit naar buiten kwam en hem een nieuwe basis, nieuwe inspiratie in zijn leven gaf (‘een moeder teelaarde / van binnen zacht en warm’). De ‘eerste woorden’ brachten de dichter ‘nieuw geluk’. De woorden ‘over het water’ zijn formeel te verbinden met ‘geluk’ of met ‘reiken’. Ik kies voor het laatste, omdat het recht doet aan de betekenis van het laatste woord van het gedicht (‘reikte’).

5. HET DICHTERSCHAP: SCHRIJVER, MAKER, DICHTER
‘Drie knotwilgen’ is ook het ontwikkelingsgedicht van een talent. Het beschrijft de weg naar een dichterschap dat lang voor de buitenwereld verborgen bleef. Het gedicht gaat in op de vraag hoe Gery Florizoone zich tot dichter heeft ontwikkeld met behulp van de metafoor van drie verschillende knotwilgen in drie verschillende groeistadia. Wie is hij nu op dit moment? Hoe is hij dichter geworden? Hoe staat hij er nu bij? Anders gezegd: hoe is hij op ‘zondag’ aangekleed?

De eerste, jongste knotwil is de fase van het schrijven, het proberen te schrijven op jonge leeftijd. Hij schrijft dan ‘groene baarsjes’ dat de betekenis krijgt van ‘onvolgroeide, kleine schrijfproducten’. De schrijver is geconcentreerd (‘gebogen’), maar nog onvolwassen (‘kind’).

De tweede knotwilg drukt de ambachtelijkheid van het schrijverschap uit (‘appelmanden vlechtend’). Tegelijkertijd is het de fase van het dichterschap waarbij het schrijven los moet komen van de persoonlijke emoties, het alleen maar schrijven voor jezelf om droevige gebeurtenissen of tegenslagen te vergeten, zoals we lezen in ‘de herfst van weemoed te bevrijden’. De dichter moet het dichten als therapie, als persoonlijke uitlaatklep achter zich laten om dichter te kunnen worden. De dichter is maker, hij maakt gedichten, ‘appelmanden vlechtend’, maar is nog geen dichter.

De derde knotwilg is de metafoor die de vervulling van zijn dichterschap invult. Zie de uitwerking hiervan in de vorige paragraaf. Het dichterschap heeft een andere dimensie dan het aardse schrijven. Hij beseft als dichter wat er is gebeurd: ‘die mij de eerste woorden / van geluk over het water reikte’ Let wel: ‘over het water’. De afstand is afgelegd, hij heeft de overkant bereikt, hij is dichter. Heeft het priesterschap geleid tot de rijkdom van het dichterschap of heeft het bereiken van een dichterschap zijn priesterschap verrijkt? Het voor de hand liggende antwoord is natuurlijk dat van de wederzijdse beïnvloeding.

6. TOT SLOT
Het gaat mij niet zozeer aan allerlei concrete feiten uit het leven van Gery Florizoone direct te verbinden met versregels uit het gedicht. Dat is niet zo interessant en ik blijf liever op afstand, daar heeft de mens Gery Florizoone recht op. Ik wil zijn persoonlijke leven niet binnenstappen, maar wel zijn poëzie. Een priesterschap dat zich ontwikkelt naar een priester-dichterschap in een omgeving die leidt tot een oorspronkelijke natuurlyriek. En dat is allemaal terug te vinden in één persoonlijk, poëticaal gedicht, dat minimaal vanuit vier perspectieven is te benaderen. Dat is boeiend. ‘Drie knotwilgen’ is de toegang tot het poëtisch oeuvre van Gery Florizoone, dat ik voortdurend ‘appelmanden vlechtend’ lees en blijf lezen.

———-
1) Enkele biografische gegevens ontleend aan Rudolf van de Perre, ‘De landheer van de stilte. Gery Florizoone, leven en werk’. Tielt 1993.
2) Van de Perre gaat bij zijn interpretatie uit van deze trits.

 

Geplaatst in Klassiekers.