door Joost Dancet
Meander Klassieker 300
Joost Dancet bespreekt het gedicht ‘Wensbrief’ uit Hazenklop (2025), de derde bundel van Hanneke van Eijken (°1981). Het is een eigengereide ode aan de vrouwen die haar voorgingen en behoeders zijn van moeder aarde én met een wens.Wensbrief
–
–
In de diepte van dagen
wist ik een kom van mijn handen te maken
voor regen, longen vol septemberzucht
–
de tijd rolde zich langzaam
uit als een varen
–
ik leerde dat ik een wens mocht doen
bij het vallen
van de eerste sneeuw
dat een hond snel ademt op mijn schoot
als hij droomt
–
nu tel ik op mijn armen de moedervlekken
die spreeuwenwolken vormen
–
alle vrouwen die achter me staan
die de dagen vouwen, het water
dragen naar het huis
het vuur in beweging houden
–
en zij loopt voor mij uit
ik weet hoe haar voeten in mijn hand pasten
zij duwt stap voor stap haar pad
in het lange gras
ik buig, leg een hand op de aarde
–
–
–
Hanneke van Eijken (°1981)
uit: Hazenklop (2025)
uitgever: Uitgeverij Van Oorschot
Analyse
Het gedicht ‘Wensbrief’ komt uit Hazenklop (2025), de derde dichtbundel van Hanneke van Eijken (°1981). Het gedicht is – zoals alle andere in deze bundel – geschreven in niet-traditionele vrije verzen. Na de titel volgen zes strofen van ongelijke lengte, die bestaan uit ongelijke, korte verzen, het langste vers telt 12 lettergrepen, het kortste 3. Er is in dit gedicht zo gemiddeld evenveel witruimte aan de rechterzijde van de bladspiegel als er woorden staan aan de linkerzijde, wat de tekst gebald en geconcentreerd doet ogen – een uitnodiging om aandachtig te lezen?
Grammaticaal levert het gedicht geen enkele moeilijkheid op. Weliswaar heeft alleen het eerste vers een beginkapitaal en staan er geen punten of leestekens op het einde van een vers waar die wel zouden kunnen staan, maar die plaats je daar al lezend als vanzelf; verder staan er slechts 2 leestekens in de versregels, maar die zorgen ervoor dat je die verzen direct grammaticaal correct kan lezen.
Wensbrief
‘Wensbrief’ – een brief met een wens, maar voor wie? Felicitaties voor een jarige of voor een jubileum? Of is het een brief met een of meer wensen voor jezelf? Een brief die kinderen schrijven voor de sint of de kerstman? Het woord staat blijkbaar niet in Van Dale en het lijkt wel iets van lang geleden, toen mensen nog brieven schreven naar elkaar. Zoekmachines toveren in elk geval heel wat oude prenten tevoorschijn. Het Rijksmuseum in Amsterdam heeft een prachtige collectie.
In de diepte van dagen
wist ik een kom van mijn handen te maken
voor regen, longen vol septemberzucht
Het gedicht start niet, zoals een brief, met een aanspreking, maar met een wat plechtig aandoende tijdsbepaling – Bijbels? – mede in de hand gewerkt door de metrisch ondersteunde allitererende d: ‘In de diepte van dagen’ (uu-/uu-/u). Het tweede vers alludeert echter niet op voor een gebed gevouwen handen, maar op handen die ‘een kom’ vormen, waarmee – zegt het derde vers – regendruppels werden opgevangen. Werden die handen met de opgevangen druppels naar de mond gebracht en werd zo de geur van de herfst opgesnoven? Bracht dat toen of brengt dat nu heimwee teweeg – vandaar ‘zucht’ en niet ‘lucht’? Hoe ver – hoe diep – gaat de ‘ik’ hiervoor terug in de tijd?
de tijd rolde zich langzaam
uit als een varen
In de tweede strofe wordt het thema van in de tijd terugkeren versterkt. Het eerste vers van de strofe doet de tijd voor onze ogen rollen, dat dit ‘langzaam’ gaat, wordt door de eindpositie van het woord in het vers extra in de verf gezet. In het volgende vers blijkt dat het niet zozeer rollen is dan uitrollen (het gedicht bevat wel meer mooie enjambementen) en het langzaam passeren van de tijd wordt vergeleken met het ontrollen van de bladeren van varens – circinnatie noemen biologen dat. “Deze bladeren beginnen strak opgerold en ontvouwen zich geleidelijk in een sierlijke spiraalvorm naarmate ze groeien. Deze vorm van bladontrolling wordt vaak gezien als een van de meest gracieuze en fotogenieke aspecten van varens, wat bijdraagt aan hun populariteit als sierplanten.” Varens zijn daarenboven eeuwenoude planten, “waarvan fossielen bekend zijn uit het midden van het Devoon,” weet Wikipedia te melden. Vielen je hierboven op de cover van de bundel ook de gestileerde varenbladeren op? Het is geen tekening, maar een cyanotypie van Anna Atkins – een vrouwelijke botanicus uit de negentiende eeuw (1799–1871), “de eerste persoon die een boek uitbracht met fotografische afbeeldingen”.
ik leerde dat ik een wens mocht doen
bij het vallen
van de eerste sneeuw
dat een hond snel ademt op mijn schoot
als hij droomt
In de derde strofe komen twee andere herinneringen van de ‘ik’ naar boven. Het zijn twee zaken die ze leerde, want in het vierde vers van de strofe worden onderwerp en werkwoord elliptisch weggelaten: ‘(ik leerde) dat een hond …’. We komen echter niet te weten wie haar dit leerde (is het fout om te veronderstellen dat de ‘ik’ in het gedicht een vrouw is)? En misschien daagt het je nu ook dat de ‘ik’ de kom die ze met haar handen maakte (in de eerste strofe), misschien ook wel van iemand moet hebben geleerd: ‘wist ik’.
In het eerste vers in deze strofe verwijst ‘een wens doen’ letterlijk naar de titel van het gedicht. Maar het duurt drie verzen voor we te weten komen wanneer de ‘ik’ die wens mocht doen, en dan blijkt dat het ‘vallen’ in het tweede vers niet verwijst naar pijnlijk vallen, maar naar het lieflijk vallen van sneeuwvlokken – opnieuw een mooi enjambement. Ondertussen is ook duidelijk dat het jeugdherinneringen zijn die de ‘ik’ heeft – en dat ze allemaal te maken hebben met de natuur rondom haar: ‘regen’, ‘september’, ‘varen’, ‘sneeuw’, ‘hond’. En in deze strofe vooral met het mysterie dat errond hangt: wensen doen, honden die dromen (waarvan?).
nu tel ik op mijn armen de moedervlekken
die spreeuwenwolken vormen
In de vierde strofe, halfweg het gedicht dus, belanden we in het heden van de ‘ik’ – ‘nu’. In de vorige strofen stonden de werkwoorden in de onvoltooid verleden tijd – een mooie naam voor wat er aan de hand is in dit gedicht: het verleden is voorbij, maar blijft leven in de herinnering. Vanaf nu staan de hoofdwerkwoorden in de onvoltooid tegenwoordige tijd: het gebeurt nu, maar het is onvoltooid. De ‘ik’ telt haar ‘moedervlekken’. “Iedereen heeft moedervlekken. De meeste Nederlanders hebben er rond de vijftig, maar er zijn mensen die er veel meer hebben, tot wel vijfhonderd,” weet dermateam.nl. De ‘ik’ heeft er veel, ze vergelijkt ze in het tweede vers met ‘spreeuwenwolken’, met de spreeuwen die ’s avonds sierlijke wolken beschrijven net voor het samen neerstrijken om te roesten – zie ook mijn analyse van ‘Zwerm‘, het eerste gedicht van de bundel (met videofilmpje).
alle vrouwen die achter me staan
die de dagen vouwen, het water
dragen naar het huis
het vuur in beweging houden
Grammaticaal is er in het eerste vers opnieuw sprake van een ellips: ‘(nu tel ik) alle vrouwen’. Welke ‘vrouwen’? Zij ‘die achter mij staan’ – ‘die de dagen vouwen’ – ‘(die) het water dragen naar het huis’ – ‘(die) het vuur in beweging houden’. Vier betrekkelijke bijzinnen die archetypisch de zorgende taken van vrouwen, van moeders willen beschrijven. De ‘moedervlekken’ op haar armen uit de vorige strofe zijn voor de ik een genetische verwijzing naar haar voorouders in moederlijke lijn, waarvan zij voelt dat zij haar dragen.
en zij loopt voor mij uit
ik weet hoe haar voeten in mijn hand pasten
zij duwt stap voor stap haar pad in het lange gras
ik buig, leg een hand op de aarde
De indeling in strofen – dat is ondertussen duidelijk – blijkt niet zomaar lukraak, de verzen binnenin elke strofe vormen telkens een hechte eenheid. De laatste strofe introduceert een nieuwe persoon – opnieuw een ‘zij’. Geen vrouw die zoals de vrouwen in de vorige strofe ‘achter me staan’; nee, ‘zij loopt voor mij uit’. De eindpositie van ‘uit’ benadrukt misschien wel hoe vrij die ‘zij’ zich ten opzichte van de ‘ik’ beweegt. Maar wie is ‘zij’? Het enige vers dat een tipje van de sluier oplicht (samen met wat we in de vorige verzen ontdekten) is een beschrijving van de voeten. De ‘ik’ herinnert zich nog hoe de voeten, beide voeten dus, ‘in (haar) hand pasten’. Kan dit iemand anders zijn dan haar eigen dochter die daar voor haar loopt? Maar het is niet zomaar lopen: ‘zij duwt stap voor stap haar pad’. Elk woord is belangrijk. Duwen is krachtig en zelfbewust gaan; ‘stap voor stap’ is behoedzaam, kleine stapjes vooruit zetten, geen twee vooruit, drie achteruit; ‘haar pad’ betekent dat zij een eigen weg uitstippelt, niet in de voetsporen van een ander, ‘in het lange gras’ – er zijn moeilijkheden te overwinnen … De woorden worden dus met zorg gekozen. Zijn de korte, eenlettergrepige woorden, ook de kleine passen van het kind? Of is dat enkel een gelukkig toeval? Let ook op die ene assonantie die telkens terugkomt: ‘in mijn hand pasten’, ‘stap voor stap haar pad’, ‘lange gras’? Sporen trekken, een pad maken, dit motief komt wel meer voor in deze bundel: ‘hazen maken het gras voorzichtig tot pad / elke dag iets dieper’ (in ‘Huis’); ‘mijn bewegen is een vorm van honger / zo min mogelijk onthouden / welke wegen ik neem’ (in ‘Habitat’).
De laatste regel van de strofe en van het gedicht keert terug naar de ‘ik’: ‘ik buig’ – onderdanig, nederig, dankbaar?; ‘leg een hand’ – begon het gedicht niet met ‘handen’?; ‘op de aarde’ – zij voelt zich één met de natuur waarmee zij sinds haar eigen kindertijd een innige band kreeg, dankzij … haar moeder? Maar vooral legt zij – figuurlijk of letterlijk? – haar hand op de aarde waarover haar kind nu een spoor aan het trekken is. ‘Wensbrief’ is daarmee een subtiel eerbetoon aan de vrouw — met felicitaties voor de vrouwen, de moeders die haar voorgingen en behoeders zijn van moeder aarde; én met de wens voor haar kind dat ook zij zo’n vrouw mag worden.
Joost Dancet
met dank aan Marianne – steeds opnieuw mijn eerste, kritische lezer, Koen Vandendriessche én Hanneke van Eijken die me wees op wie Anna Atkins is, de ‘fotografe’ van de varens op de cover.
Epiloog
De dichter schreef het gedicht voor het foto-project Catch of Time van Lynne Greenaway, staat er op p. 66 bij de Aantekeningen, achteraan in de bundel. Wie de moeite doet om dit project online te vinden, ontdekt er het gedicht, de voordracht van Hanneke van Eijken én de foto die de Canadees-Nederlandse fotografe van haar maakte. Het gedicht werd geschreven voor de tweede fase van het project. Vanaf 2022 vroeg Greenaway aan enkele Nederlandse dichters om een gedicht te schrijven met als thema “het verstrijken van de tijd”. De titel Catch of Time, zegt de fotografe op de site, heeft zij zelfs te danken aan Hanneke van Eijken.
Wie het gedicht op die internet-pagina naast het gedicht uit de bundel legt, ziet hoe hard de dichter er nog aan gewerkt heeft om het nog treffender te maken. Wat ze veranderde, zette ik hieronder een beetje oneerbiedig in vetjes:
In de diepte van dagen
wist ik een kom van mijn handen te maken
voor regen, eerste sneeuw
op mijn tong vangen, longen vol januari-zucht
de tijd vouwde zich langzaam
uit als varens
(hier zal de dichter een volledige strofe toevoegen)
nu tel ik de sproeten die spreeuwensporen vormen
op mijn rug, moedervlekken
de vrouwen die achter me staan
die de dagen vouwen, het water
dragen naar het huis
het vuur in beweging houden
voor me uit de fijnste voeten die ik ken
zacht zetten van zolen, vastberaden
en ik buig, leg een hand op de aarde
Op diezelfde pagina 66 met Aantekeningen in de bundel Hazenklop schrijft Hanneke van Eijken: “Het gedicht draag ik op aan Elizabeth en Mare.” Twee meisjesnamen. Van de kinderen die ze blijkbaar heeft volgens een kranteninterview? Online zoeken levert op dat Elizabeth de moeder is van Hanneke, Mare haar dochter (met foto’s). (Haar zoon heet Lucas.) Op de prachtige foto van Lynne Greenaway op Catch of Time staat naast Hanneke van Eijken – treffend – een andere vrouw en een beschermende hand.
Meander Klassiekers
In deze rubriek bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor recente klassiekers, en hier voor een overzicht van de klassiekers vanaf 2000 – heden.Reageren op deze bespreking?
Neem contact op met de redactie: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)Zelf een bijdrage leveren?
Mocht u zelf ideeën hebben voor een bespreking, neem dan tijdig contact met ons op: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres) –Joost Dancet, redacteur Meander Klassiekers
