Het perspectief voor alle streektalen is in feite hopeloos
door Wopke van der Lei
–
(…)Vandaag is het mijn taal, mijn stuiptrekkende taal,
De passie van de dichter, mij van moeders-vaders-
Moederswege geworden, nu verlaten staande
Op een fatale richel, waar wij ons niet wagen.
Ik hoor haar agonie, ze blaat en snakt naar adem
En worstelt met haar dood nu ze door hen omringd wordt,
De scherpgebekten, aaseters, vraatzuchtigen
Die nooit ver weg zijn. O, steeg er uit deze kwelling (…)
–
—–Cathal Ó Searcaigh
Waar ik dit gedicht, waarvan ik hier een fragment citeer, op de kop heb getikt, weet ik niet meer. Wel staat mij bij dat deze oorspronkelijk door de Ierse dichter Ó Searcaigh in Iers Gealic geschreven tekst op een vertaalbijeenkomst voor kleine talen via het Engels is omgezet naar het Nederlands. Het gedicht met de titel ‘Lamento’ is inderdaad een elegie en verwijst naar de rampzalige positie van kleine talen, die alleen met allerlei kunstgrepen nog een tijdje in leven kunnen worden gehouden. Het Gaelic, de moedertaal van de dichter, wordt hier vergeleken met een oude ooi, staande op een smalle richel langs een steile bergwand. Het dier is ten dode opgeschreven. De metafoor is treffend: er is geen houden aan.
De situatie hier te lande is niet anders. De eindtijd voor de streektalen is niet nábij, maar al praktisch vóórbij. Geheel conform de taalwetten worden de streektalen opgeslokt, doodgedrukt door het Standaardnederlands, of omgekeerd zoals bij het Fries: de streektaal verslikt zich in de standaardtaal, die als een sluipwesp de gastheer binnendringt en wier larven daarna de prooi stukje bij beetje overnemen. De klaploper wordt bewindvoerder. De taalwetten die dit proces nauwkeurig voorspellen, liegen niet: talen en klanken volgen vaste patronen, taalverandering vindt plaats volgens niet te negeren regels, streektalen lopen in elkaar over en lopen stuk op de standaardtaal. Bij streektalen nabij het centrum van de standaardtaal, gaat het proces sneller dan in de periferie. Grotere streektalen zoals het Fries absorberen de standaardtaal dusdanig, dat van de eerste steeds minder overblijft, waarbij grammaticale regels en klankkleuren het langer volhouden dan semantemen. Het perspectief voor alle streektalen is in feite hopeloos.
Zelf woon ik al vijftig jaar op de Veluwe. Het bovenstaande proces heeft zich hier in een kleine dertig jaar voltrokken: ouders, gewend dialect te spreken, lieten dat begin jaren zestig na tegen hun kinderen, die onderling, in één enkele generatie de plaatselijke voertaal lieten vallen. In het rurale buitengebied kostte dit proces meer tijd, maar de invloed van radio, t.v. en vooral die van het onderwijs zou ook hier zijn uitwerking niet missen. De in de stadskernen en dorpskernen ingezette ontwikkeling werd ook daarbuiten razendsnel voltooid. Buitenstaanders zullen op de Veluwe de streektaal niet meer horen. In de noordelijke provincies zijn de regiotalen dusdanig verwaterd dat van het oorspronkelijke rijke palet alleen de klankkleur in stand is gebleven. Misschien houden de Limburgse streektalen het langer vol, maar ook hier geldt uiteindelijk hetzelfde: ook die talen vernederlandsen.
Meer dan zestig geleden heb ik, kind nog, geweldig genoten van de zelfs nu nog populaire reeks korte verhalen rondom Garriet Jan, zijn vrouw Annegien en hun ‘zunige nève van de Beulakker,’ het prototype van de tafelschuimer die vrienden uitnodigt voor het eten maar hun achteraf de rekening presenteert. Journalist en Tweede Wereldoorlog-veteraan Hendrik van Heerde (1905-1968) tekende de short stories op in een mêlée van Saksische regiotalen uit Overijssel, Drenthe en de Noord-Veluwe. De reikwijdte van zijn anekdotische streekverhalen omvatte het hele noorden en oosten van het land. Lezers herkenden in dit dialect veel van de eigen streektaal, waarmee de taalwet dat streektalen zich gemakkelijk laten contamineren ook door deze parttimefictieschrijver werd bevestigd. In Kampen en omgeving, waar Van Heerde hoofdredacteur was van het Kamper Nieuwsblad, behoren deze juweeltjes nog steeds tot de meest uitgeleende boeken van de plaatselijke bibliotheken.
Aandacht voor streektalen mag de laatste jaren weer zijn toegenomen maar dat verandert de achterstandspositie positie van de streektaal niet. Het verst gevorderd is men in Friesland, waar onlangs is besloten dat basisscholen het Fries schoolbreed zullen aanbieden. Waar de leraren vandaan moeten komen, wat de positie wordt van anderstalige leerlingen én leraren, hoe er tijd voor is te vinden en hoe men een vak voor liefhebbers naar boven wil bijstellen tot een schoolvak te midden van ‘scherpgebekten, aaseters (en) vraatzuchtigen die nooit ver weg zijn’? Het is geen gemakkelijke zaak, waarbij onderwijs paradoxaal genoeg eerder een obstakel vormt dan een stimulans. In Nederland heeft het centraal gestuurde schoolsysteem de streektalen radicaal om zeep geholpen, waardoor er (niet bij toeval dus) een groot tekort bestaat aan leraren die cursussen kunnen geven ter ondersteuning van de dialecten. Er bestaat zeker interesse voor, maar mogelijkheden zijn er nauwelijks.
Maar niet iedereen legt het hoofd gedwee in de schoot. Sommige uitgevers, vooral die aan de zomen van ons land, zien nauwelijks of geen brood in uitgaven in een streektaal, de subsidies zijn abominabel, maar toch verschijnen er verhalen en gedichten in dialect en zijn er fondsen die dit financieel ondersteunen. Een mooi voorbeeld is de onlangs door Uitgeverij Frysk en Frij uitgegeven verzamelbundel Vier je eigen taal, in ca. zeventig te onderscheiden tongvallen, waarvan het grootste deel behoort tot de Nederlandse taalfamilie. Niet minder dan 222 dichters hebben aan dit originele project meegewerkt. De ruim driehonderd pagina’s tellende uitgave heeft een overzichtelijke indeling, die selectie op schrijver, titel én taal mogelijk maakt. Alle verzen hebben dat thema gemeen, de deelthema’s zijn steeds weer anders. De gedichten zijn geschreven in een brede waaier van streektalen, variërend van West- en Zeeuws-Vlaams, Limbörgs en Braobaans tot aan Bilts en Amelands. Het is een prachtige verzameling geworden van gevoelens, weergegeven in de rijke taal waarin de dichters ooit het spreken hebben geleerd. Ik geef een voorbeeld van een gedicht van Marije Roorda, in het Greidhoeks, een van de taalfamilies van het Westerlauwersfries, gesproken in de noordwesthoek van de provincie. Voor het gemak lever ik er een vertaling bij, maar lees deze als niet meer dan een informatieve omzetting. Het dichtgenie van de oorspronkelijke tekst overleeft een vertaalstrijd zelden; de schoonheid verschuilt zich in het origineel.
| – Alfabet fan it lichem – samar kinst op in dei de measte wurden kwytreitsje as dat my oerkomt en ik der frjemd yn ompraat wa bin ik noch foar dy – wolsto dan it alfabet fan myn lichem leare yn tekens dy’t bewege as myn earms dy roppe ûnbegryp yn myn eagen ljochtet – ast my wachtsje litst earst dyn eigen dingen dochst ik dy de rêch takear en in stoel omsmyt – gean dan nei bûten en sykje in oankrûpwurd foar my |
– Alfabet van het lichaam – ineens kun je op een dag de meeste woorden kwijtraken als dat mij gebeurt en ik wartaal spreek wie ben ik dan nog voor jou – wil je dan het alfabet van mijn lichaam leren in tekens die bewegen als mijn armen je roepen onbegrip uit mijn ogen staart – als je me laat wachten eerst jouw eigen dingen doet ik jou de rug toekeer en een stoel omgooi – ga dan naar buiten en zoek een koesterwoord voor mij |
Zo zijn er veel juweeltjes in de bundel te vinden, 222 om precies te zijn. Stuk voor stuk dagen ze de lezer uit: wat is de kern, welke woorden zijn te herleiden, wat is de idee achter de tekst en welke passages accentueren de schoonheid van de tekst? Ook etymologie draagt bij aan het herleiden van sleutelpassages, belangrijk voor het tekstbegrip. Eigenlijk is het ontrafelen van dit type poëzie heel leuk en leerzaam werk. Bij teksten waar dat niet lukt, helpt de computer steeds beter. Ter ondersteuning van het onder de knie krijgen van streektalen kan de bundel Fier je eigen taal beslist een rol spelen: taalonderwijs via fictie werkt prima, vaak beter dan via de rechte weg van informatieve teksten, die de aandacht minder goed vast weten te houden. Poëzie gaat zuinig om met de taal, het aantal woorden is zeer beperkt, de inhoud is persoonlijk gericht en het puzzelelement houdt de lezer bij de les, evenals de meerlagigheid. Dat voordeel geldt trouwens voor alle poëzie en beperkt zich niet tot streektaallyriek, die in deze bundel overigens opvallend modern is. Misschien heb ik er wel eentje gemist, maar sonnetvormen, rondelen, haiku’s en dergelijke kwam ik niet tegen. Poëticale gedichten, die gaan over het schrijven zelf, zijn er genoeg. Een enkele ballade zag ik wel en ook het acrostichon duikt op, maar de moderne dichter maalt daar verder niet om. We geven hem geen ongelijk, want er is veel moois in de bundel. Traditie leidt niet altijd tot het gewenste doel: Vier je eigen taal. Doe er alles aan om haar ondergang uit te stellen.
Een aantal jaren geleden moest ik in Terneuzen zijn voor een zakelijke transactie met een man op leeftijd die gewoon was Zeeuws-Vlaams te spreken. Bij streektalen doe ik altijd extra mijn best om het gesprokene woord voor woord te volgen, maar deze keer kostte mij dit wel erg veel moeite. Van sommige zinnen herkende ik minder dan de helft. Het West-Vlaams, de moedertaal van Guido Gezelle, is voor Nederlanders nog weer lastiger. De Vlaamse streektalen zijn goed traceerbaar als loten van de Nederlandse stam maar tevens lastig te herleiden. Van beide vindt u voorbeelden in de bundel. Ik koos voor de ingetogen en droefgeestige Zeeuws-Vlaamse bijdrage van Eric van Laere. Ik lever er ditmaal geen vertaling bij, omdat zelfwerkzaamheid hier snel leidt tot resultaat en de taal zelf immers het object van deze uitgave is.
–
daue ni mir wit
wa da ier deed
den tijd is lèk een
dikke laohe virve
mee nen arten kwast
op au lèf gesmird
nen brokkeligen deurkèk
naor lange heleeën
–
de menne langst
nen vuilen gracht
luept naor wad ûizen
rond een kirke
et land es leeh
gin mens an ’t wirk
onder nen zwaoren lucht
mee schaopenwolken
–
daue ni mir wit
oe da det ier it
an niemand keun vraohen
kommekik ier vandan
aok ik een uis ier
een vroumens ov een kind
wad es ter ier hebeurd
waorom zèk ik ier weg hehaon
–
de klokken haon lûien
net lèk ze vroeher deeën
der zal nen deuen zèn
et volk trekt naor de kirke
maor ik èn gin hoeste
et zal wel iemand zèn
die a ‘k toch nie
echt hoed hekend een
* Voor wie strofe twee een raadsel blijft, vindt in strofe vier de oplossing en dan vooral bij het sleutelwoord deuen. Ook de titel ‘Vervrimd’ is goed gekozen en in zekere zin allegorisch voor de hele bundel.
Ik vergat het bijna. Vier je eigen taal is geen bloemlezing van lang vergeten gedichten. Het gaat om hedendaagse poëzie, op verzoek ingezonden voor publicatie. Geselecteerd is er wel, niet alleen op kwaliteit, maar ook op taal. De eerste is gegarandeerd, de tweede daaraan geheel conform.




