Om een verloren liefde
door Hans Franse
–

–
(Klik op de foto om deze te vergroten, foto NRC)
Met het mij voorbereidend op deze verkenning over Betje Wolff, waar uiteraard, hoe kan het anders, Aagje Deken zich bij zal voegen, werkte de Haagse bibliotheek helaas niet mee. Hoewel het filiaal in mijn stadsdeel slechts een vijftigtal meters verwijderd is van het graf van Betje Wolff en Aagje Deken, – als er geen huizen stonden zou je de gedenksteen kunnen zien op een geslechte duintop liggend kerkhof: ‘Ter Navolging’ (één van de eerste kerkhoven buiten de stad) was de ongetwijfeld fascinerende biografie van Marita Mathijssen: Een vrije geest. Het uitzonderlijke leven van Betje Wolff, niet in dat filiaal aanwezig, evenmin als de biografie van Piet Buijnsters Wolff en Deken. Ik moest even denken aan de bibliotheek van het kleine stadje Recanati, waar Giacomo Leopardi geboren is; elke regel die over hem geschreven is vind je in de bibliotheek. Ik moest de biografie bestellen, wat ik deed en hoewel ik het al weken geleden aanvroeg, heb ik nog steeds niets gehoord.
Gelukkig herinnerde ik me ineens dat Jan & Annie Romeijn samen Erflaters van onze beschaving hebben geschreven, een historisch, maar ook sociaal-cultureel en zelfs sociologisch overzicht van de Vaderlandse Geschiedenis in portretten, waarin de figuren als het ware vanuit hun tijd oprijzen en zij ook aandacht besteedde aan Betje Wolff, de enige vrouw in dat grootse boek: ’De tweede appel van Eva’ heet het essay. Het leverde me veel op, vooral daar Betje Wolff (Elisabeth Wolff-Bekker) weliswaar een in haar tijd bekend dichteres was wiens verzamelde werk voor honderd gulden op de markt kwam, maar niet baanbrekend was in de poëzie. Haar taal, ik moet zeggen hun taal, is het proza, de essays, de romans in brieven, waarvan Sara Burgerhart het meesterlijke hoogtepunt is. Ik zeg ‘hun’ taal omdat de beide dames die samen gingen wonen zo harmonisch samenwerkten dat niet na te gaan wie wat schreef.
Betje Bekker was een zwak nakomertje, met een oudere broer Laurens, een hypocriete en behoudende figuur, en zuster Chrisje, die door Betje als een ‘beauté’ werd beschreven. Ze werd geboren in Vlissingen in 1738. Hoewel het milieu van Betje in feite behoorde tot de hervormde en remonstrantse regenten, die in het midden en eind van de 18e eeuw de dienst uitmaakten, zowel economisch als moreel, stond de koopmansfamilie open voor de vernieuwende ideeën over verdraagzaamheid, democratie, opvoeding en gelijkwaardigheid van de grote 18e-eeuwse denkers als Rousseau en John Locke. Het feit dat later in haar ‘celletje’ een portret van Jean-Jacques Rousseau op haar werktafel stond, zegt genoeg. Het ging om gelijkheid, de rechten van de mensen zweefden rond, sociale veranderingen waren op til.
Overigens ontging de regenten, waartoe broer Laurens zich ook rekende, deze grote veranderingen. Stadhouder Willem V regeerde over een behoudend, weinig vernieuwend land, waarin zich geleidelijk twee stromingen aftekenden: zij die de nieuwe ideeën volgden (de patriotten) stonden tegenover de prinsgezinden, het volk was zeer gepolariseerd. Zo was het land en het milieu waarin Betje ‘een klein overgevoelig, spontaan en kwikzilverachtig wezentje’ opgroeide. Haar moeder, ze stierf toen Betje 13 jaar was, zal haar hebben willen voorbereiden op de functie van de vrouw in die dagen: het huishouden bestieren, zorgen voor het gezin, maar na de vroege dood liet vader die opvoeding een beetje gaan, zodat Betje veel kon lezen, ze had een grote lees- en dichtlust.
Op 16-jarige leeftijd poseerde ze voor een portret met in haar handen Alexander Popes’ boek, een filosofische gedicht, An essay on man genaamd (zie foto bovenaan). In die tijd schrijft ze ook veel poëzie, ene mevrouw Haverkamp draagt zelfs dichtwerk aan haar op. Haar broer heeft kritiek op haar werk, die ze verontwaardigd afwijst. Ondanks die serieuze inzet is het geen blauwkous, ze was ‘geestig, koket en pretlievend’. Met veel plezier beschrijft ze haar vrije tijd op het familiebuiten ’Altijd wèl’ met haar vier jaar oudere zus Chrisje: ‘Mijn zuster is een beauté, dog haal mij den drommel! Ik kaapte alles voor haar neus weg, wat het hart had op ‘Altijd wèl’ te komen en smaak had’.
En dan gebeurt er iets dat haar leven zal bepalen: in een roekeloze bui loopt ze weg met de domineeszoon, de vaandrig Matthijs Cargon, ze is nog maar 17 jaar oud. De ontsteltenis binnen de conservatieve Vlissingse burgerij is groot. Als ze weer opdagen ‘censureert’ de kerkenraad het tweetal. Dat gebeurt op 9 september 1755. Broer Laurens maakt haar het leven onmogelijk. Er was zoveel roddel en achterklap dat ze in een ‘ernstige staat van zenuwzwakte raakt’ waarbij ook lichamelijke klachten een rol spelen. Ze besluit in 1759 te huwen, ze was toen 21, met de 51-jarige weduwnaar dominee Wolff uit de Beemster; ze wordt ‘domineesjuffrouw’. Dat huwelijk was ‘een al te filosofische stap om in de onfilosofsche dagelijkse omgang niet tot bittere teleurstelling voor beide partijen te leiden’. De jonge vaandrig Matthijs vertrekt in 1760 naar de Oost in opdracht van de VOC. Betje richt in de pastorie een zolderkamer in als haar ‘celletje’ en wordt, volgens Annie Romein, faute de mieux, schrijfster, ze schrijft of ‘’s lands welvaert er vanaf hing’.
Het is duidelijk dat het huwelijk een vlucht was, al groeide er later begrip tussen het echtpaar vooral toen ds.Wolff zijn vrouw verdedigde tegen een aanval op haar felle schrijfstijl. In stijgende mate ging ze zich afzetten tegen de hypocrisie van kerk en samenleving. Misschien was ook haar schrijven een vlucht die haar dwong tot ordenen en meningen, waarbij soms felle polemieken optraden bv. met de aanvankelijk door haar geadoreerde dichteres Lucretia Wilhelmina van Merken, die zich niet verwaardigde op haar werk te reageren. In ieder geval heeft de vlucht met haar ‘lieve jongen’ om een wilde romance te beleven, haar leven bepaald. Misschien had ze liever een huisgezin bestuurd samen met de charmante Matthijs. Uit een brief van Betje uit 1770 zou je dat kunnen aflezen: ’Eén ding is jammer, dat ik mijn wensch niet heb; de geleerde waereld zoude nooit met mijn poëtische fratsen zijn opgescheept worden (…) ik zou voor mijn lieve jongen gezorgd hebben (…) geen aanrander maar door dwang of uiting verloren geliefde.’
Was Betje een feministe avant la lettre, ze verzette zich ín ieder geval tegen hypocrisie. Er ontstond een conflict tussen dominee Wolff en zijn vrouw toen hij op verzoek van een familie uit Hoorn ingreep bij een te geëxalteerde vriendschap met een jeugdige dichteres. In een opgewonden brief aan een advocaat schreef ze: ‘Welke mate van zelfstandigheid heeft een vrouw?’ Toch beschouwde ze zichzelf als ‘een kinderloze domineesvrouw’.
Ze schreef fel, soms ironisch, soms hatelijk, bijna altijd polemisch. Soms nam ze afstand van jeugdwerk als: ’s Lands vreugdegroet aan zyn doorluchtigste hoogheid Willem den Vyfden, … eerbiedig toegewyd, ter heuchelyke gelegenheid Zyns Hoogheids zestienden jaardach.’ In haar ‘Mengelwerken’ stond ’Een nieuw scheepslied gemaakt ter eere zijner Doorluchtige Hoogheid onzen dierbaren Erfstadhouder Willem den Vijfden bij gelegenheid van HoogstHoogdeszelfs Installatie als Heer van Vlissingen. Dat ellendige ding ligt mij als lood op het hart. Hoe gaarne ontknarpte ik den uitgever één stuk en wèl dit misselijke diprodigo*’.
Het is ook vreemd voor een patriot die in haar ‘boekenkamer’ een portret van Rousseau heeft staan tussen Erasmus en Hugo de Groot in. Later vertaalt ze nog een boek van Frossard: De zaak der negerslaven en der inwooneren van Guinea, waarmee zij zich schaart bij de abolitionisten. Maar in haar polemische geschriften heeft toch vooral de hypocrisie van de kerk het hard te verduren. Het Sandhorst kuddeken, een groep patriotten die zich tegen bepaalde godsdienstige punten keerden, geleid door Pieter Burman een neo-Latijnse dichter, steunde zij tegen de heersende kerk in. En in het nog zeer lezenswaardige lange vertellende gedicht ‘De menuet en de domineespruik’ hekelde ze de hypocrisie van de dominees, die een ouderling uit zijn functie wilden zetten omdat hij ,o schande, op de bruiloft van zijn dochter een paar danspasjes had gemaakt. Ik heb het nog met veel plezier herlezen.
Al die schimpscheuten op de kerkelijke hypocrisie stoorden een zorgzame vrouw die een bundeltje stichtelijke verzen had uitgegeven, samen met de door haar verzorgde mevrouw Bosch. Het betrof Aagje Deken uit Nes aan de Amstel, waar Hans Bayens een beeld van het latere koppel heeft neergezet.

(Klik op de foto om deze te vergroten, foto Amstelveenweb)
Aagje kwam uit een weeshuis van de Rijnsburger Collegianten, een piëtistische instelling. Ze schreef een verwijtende brief aan Betje Wolff, eigenlijk zeer liefdevol want ze maakt zich zorgen over haar ziel. Betje antwoordt met ‘groot psychologisch inzicht en in intelligente beheersing’, de laatste regel van het antwoord luidt: ‘Hoe gelukkig zou ik mij achten indien ik eene juffrouw Deken tot mijn gezelschap had. Hoe gaarne zoude ik alles met haar delen wat de milde God mij gegeven heeft’. Er ontstond een intense correspondentie, die eindigde toen dominee Wolff plotseling overleed. De dames wisselden dichtregels uit:
Betje:
‘Ach, Deken! Deken! Ach, mijn waarde Wolff, mijn man
in ‘t holst des nachts..’k zit voor zijn ledikant te lezen.
Hij spreekt met mij, hij sterft, valt in mijn armen, ik kan
niet schrijven, moest ik juist allenig wezen’
Aagje:
‘Wat’s dat…mijn God, uw man …reeds dood. Wat zegt uw brief?
Ik beef…dat’s onverwacht. O wisselloop der dingen’.
Aagje kwam naar de Beemster. De dames bleven zelfs na de dood bij elkaar. Ze woonden in de Rijp, later op het kleine landgoed van Betje in ‘den Beverwijck’, waar het schrijfhuisje waar Sara Burgerhart is geschreven nog te zien is. Ze vluchtten, nadat de Pruisische koning de beledigingen die door de patriotten aan zijn zuster (Wilhelmina van Pruisen) en zwager Willem V waren aangedaan kwam wreken en de conservatieve orde herstelde, naar Trevoux in Bourgondië in Frankrijk, waar Betje haar fortuin verloor en de dames naar Den Haag trokken, waar ze woonden bij het Plein, in de Spuistraat en in het nog bestaande huis in de Herderinnestraat, uiteraard zonder gevelsteen.
(Klik op de foto om deze te vergroten, foto De vrije wandeling)
Betje stierf in 1804, Aagje volgde haar enige maanden later. Ze werden op ‘Ter navolging’ bij elkaar begraven, wat voor sommigen schokkend zal zijn geweest. Eigenlijk zou ik nog de Economische liedjes moeten becommentariëren. De aantekeningen zijn er, maar ik zou graag eerst de beide biografieën lezen, want ze zijn zo wel sociaal als poëtisch interessant.
Af en toe loop ik de begraafplaats ‘Ter navolging’ op, vanaf de Scheveningse weg, op de hoek van de Duinstraat, door het grote ijzeren hek heen en kijk naar de steen die het graf aangeeft.
(Klik op de foto om deze te vergroten)
Wat de beide dames in proza geschreven hebben kan alleen maar reden tot dankbaarheid zijn: herlees het nog eens. Misschien kom ik op de beide dames terug als mijn bibliotheek tenminste meewerkt.
*het woord ‘diprodigo’ heb ik niet kunnen vinden.
Bronnen
Romein J. en Romein A. – Erflaters van onze beschaving





