Rogi Wieg – Khazarenbloed

Een gevallen engel met één vleugel

door Johan Reijmerink

Of je nu een interview met Rogi Wieg leest, of een recensie over zijn werk, telkens duiken er deze vier thema’s op: zijn jood zijn, zijn gevecht met de liefde en de dood en zijn zoeken naar waarheid: ‘In elk geval moet ik God de groeten/ doen, dan krijg ik een goede stoel/ in de hemel. Of groeten voordat ik/ niet naar de hemel ga, maar naar de/ ruimtetijd zonder afmetingen.//’.
Als je de gedichten uit zijn nieuwste bundel Khazarenbloed doorleest, merk je in alles de dwingende behoefte in om het existentiële tekort van het leven ongedaan te maken, te overwinnen. Waarom ben ik hier?

Voor geluk ben jij niet geboren
[…]
Luchtgoochelaar met regenachtige
wolkjes lucht, strakke lucht, blauwe lucht.

Uit zijn jeugd heeft hij de essentie van het ‘houden van’ bewaard. En de Thora uit zijn jeugd is voor hem wetenschap zonder bewijs: ‘Wat wel is bewezen is dit:/ het is beter als je geld jou/ overleeft dan jij je geld.//’
Deze bizarre draai aan een wezenlijk vraagstuk is typisch voor Wieg, die naarstig zoekt naar de zin der dingen. Maar bovenal is hij op zoek naar zichzelf, de waarheid over wie hij nu eigenlijk zelf is, voor de ander is en kan zijn: ‘Zijn wij dan fysica?// We zijn van sterrenstof gemaakt,/ voel maar aan de sterren, Paulus/ en aan je lijf./’

Wieg voelt zich als het gaat om lotsbestemming thuis bij de woorden van Albert Einstein:

“Het ergste lot is geen lot te hebben
en niets te betekenen voor het
lot van iemand anders…” schreef
hij (=Einstein) drieëndertig jaar eerder.

Hij verwoordt dat ook heel sterk op een andere manier in het gedicht ‘Ik ben niet te vinden’ uit de tweede afdeling ‘Lichaam en toch as’:

Ik ben niet te vinden

De kat zoekt de vogel,
de hand de tepel
de vingers zoeken de vrouw, de witte heks

met de wond. De vrouw zoekt mij,
maar ik ben niet te vinden, want er
wordt te veel gezocht.

Te veel naar hoe het moest,
hoe ik de vrouw zocht,
hoe ik stierf en weer opstond. Hoe
ik liefheb en had.

Dit kleine gedicht roept veel associatieve gedachten op. De zoekende hand die de tepel bevoelt, herinnert aan de minnaar, het kind aan de borst aan zijn minnares, zijn moeder. Tezelfdertijd benoemt hij die vrouw tot een witte heks. Hij dicht haar magische, bezwerende en helende krachten toe. Het nadrukkelijk zoeken, de opzettelijkheid daarvan vormde een belemmering om de liefde in stand te houden.
Als je het gedicht vaker leest, dan valt het op dat de gelaagdheid van de eenvoudige woorden die Wieg hier gebruikt zich langzaamaan voor je gaan ontvouwen. Zo’n tweede strofe biedt de mogelijkheid om te denken dat de ik niet te vinden is, maar ook dat zoeken naar wie de ik is, of naar wie je bent, niet het gewenste resultaat kan opleveren.
Zoeken is een vorm van het leven even stilzetten, een vorm van denken. Je dient echter juist het leven te leven, zoals in het gedicht ‘Ik denk’: ‘Ik denk,/ “Sum”. Niet, “Cogito”. Dat is me nu te veel/ te veel.//’ […] ‘Ik dacht oncomfortabel na/ en te veel over het Gebrek.//’ Daarin ligt een gevaar en een waarheid verborgen. In het leven doen en laten ligt de boodschap opgeslagen wie jezelf bent en wie de ander voor jou kan zijn.

Wieg is schrijver van verhalen, romans en gedichten. Een man met een bewogen leven vol helse capriolen, maar ook een leven vol verlangen naar heelheid: ‘Om de zoveel lentes zoveel dagen lang/ er beter over denken. Als snijden/ voor heelheid./’, maar ook vol pijnlijke momenten: ‘In eenvoud gehulde,/ gekleurde demonen./’. Zo klinken de blues van Wieg. Een leven waarin de Tien Geboden op hun houdbaarheid zijn en worden getoetst: ‘Ik ben uitgemaakt voor:/ stalker, mishandelaar, be-/ dreiger, dief en afperser./Nu nog moordenaar worden.// Ik ben al voor veel veroordeeld/ in mijn leven.//’ Een levenshouding die een hang toont naar het marginale, het ongewone, hetgeen wat buiten de orde ligt. Zoals hij het zelf ooit eens uitdrukte, een hang naar het ‘lower life’: ‘Een stervende zwerfster liefkozen/ in een slaapzak onder een straatlantaarn/ maagdelijk met haar openingen/ waarin brandende vaten kerosine/ zijn geduwd.//’

De bundel draagt de titel Khazarenbloed, wat vermoedelijk verwijst naar de Hongaars-joodse afkomst van Wieg. Zijn ouders zijn in 1956 naar Nederland gevlucht. De titel gaat terug op het rijk der Khazaren dat zich tussen 552-967 ten noorden van de Zwarte Zee bevond. De Khazaren hadden zich verbonden met de joden met wie zij handel dreven. Later werden ze deels in de richting van de Magyaren gedreven. In een middeleeuws geschrift van de joodse dichter en filosoof Jehuda Halevi is een dialoog tussen de koning van Khazaren en een rabbijn te lezen. Het gelijknamige gedicht geeft in essentie die dialoog weer: ‘ik moet leren op eigen/ ruw grondgebied. Meer niet.//’

De bundel is opgedragen aan zijn overleden vader en zijn moeder die moest voortleven. Ze bestaat uit twee afdelingen. De eerste afdeling is getiteld ‘Vaak zonder nee. Vaak met nee. Ja?’ Een klemmende vraag die daarin naar voren komt, is waaruit we zijn gemaakt: sterrenstof, fysica of zoals de lever van John Coltrane die ‘even een polyfone structuur/ zoekt, meerstemmigheid om nog te leven.//’ Voor Wieg is het duidelijk dat we hier op aarde in ‘transition’ zijn. Zijn dichterlijk ik leeft ‘om er beter over te denken’. En in dat verblijf hier is het komen naar en weggaan van geliefden voortdurend in de gedachte: ‘De geliefden zijn uit elkaar. Ik/ kan niet meer, jij daar, ik hier./’

Dat hij lijdt aan het leven is op tal van plaatsen in de bundel manifest: ‘Fysica kan moeilijker zijn dan/ sterven aan wat dan ook, of anders moeilijk./ Wat dan ook is geen gecompliceerde waarheid,/ maar een persoonlijke/ wansmakelijke onthechting./’ Voor Wieg is zijn liefde voor het leven en de dood als een manoeuvreren tussen zijn Scylla en Charybdis door: ‘So what’s wrong with dying?/ So what’s wrong with being in love?//’ Ze scheppen in hem zoveel verwarring en maken hem er zo nu en dan onverschillig voor.
De woorden van liefde uit het Oude en Nieuwe Testament en de Koran zijn voor hem woorden van mensen. Wat moet ik ermee aanvangen? Baarlijke onzin? Hij vraagt zich af wat de eeuwendurende evolutie van de schepping voor de menselijke soort te betekenen heeft, als ons einddoel toch exit mundi is: ‘Ben ik een proefpersoon/ van Jou die zich God noemt?//’ God lijkt het ook op te geven en de wereld los te laten.
Aan de fysicus en kosmoloog Gerard ‘t Hooft legt hij de vraag voor: ‘komt er ooit nog wat terug van Dit? (=het zwarte gat waarin het gedicht ook verdwijnt) /Want wat ik schreef is voor de mensheid weg. En toch niet wit.//’

In een gedicht als ‘Ik twijfel niet’ lezen we dan weer over zijn absolute geloof in de causaliteit, zijn geloof in het redeneren: ‘De eerste mens/ staat rechtop en moet het toeval/ van het bestaan verwerpen./ De laatste mens eveneens.// Fruitbomen ruisen in de wind.’ De avondlucht wordt donker./ En de schelp maakt in zichzelf een zacht/ bad voor mij op./ Ik twijfel niet.//’
Het sterven van zijn vader begeleidt hij met beroemde songteksten van Gershwin als ‘Nice work if you can get it.’ Hoewel gestorven is hij er, blijft hij in het gedicht, in de verbeelding aanwezig. Maar die verbeelding kent ook zijn beperking. Je krijgt er het leven niet mee terug: ‘Iets wat/ anders is dan al het andere,/ als je het goed doet,/ het echte schitterend nog echter maakt.//’ Maar wat een Don Quichot met een gezwollen prostaat bereft, het zal onmogelijk meer voor hem zijn te kunnen paardrijden: ‘En ik kan het niet schitterend echter maken.//’ in mijn gedichten.

De gedichten zijn geïllustreerd door Abys Kovács, zijn huidige vriendin. Ze bezitten dezelfde beklemming en ernst als de gedichten. De tweede afdeling ‘Lichaam en toch as’ is aan haar opgedragen: ‘”If you could see her you’d know/ what I mean.”/ Ze wist wat liefde was in II dimensies./’ In deze afdeling schemeren eveneens de autobiografische scènes door de teksten heen.
Over het geheel genomen zijn Wiegs gedichten sterk onderhevig aan de emotionele en existentiële golfslag van zijn leven. Nu eens prikken en bijten ze, dan weer spreken ze van hoop en wanhoop en bedelven ze de vertwijfeling onder hoop uit verloren dagen. De jeugdherinneringen, de ijle tochten in de wereld van vergetelheid: ‘Ik ben voor weinig verschil geboren,/ laat ik het dan daar op houden.//’ Hij zou de schepper van zijn eigen leven hebben willen zijn: ‘De geest sluit me op,/ maar ik ben zelf de geest./ Ik ben de geest die mij opsluit in de geest/ die van mij is en die ik ben. Of zo./ Wie ben ik? En waarom?//’.Het laatste gedicht vat eigenlijk wel treffend zijn levensgevoel samen:

Goed

Heengaan? Waarheen? In ruimtetijd
uiteengezaaid en gewoon morsdood.

Ik wilde dat het goed was.
en het was goed. (In vele opzichten.)

Ik wilde dat het goed was
en het was niet goed. (In vele opzichten.)

Heengaan? Waarheen?
Ik ben een halve eeuw oud.
nog niet uitgezaaid in ruimtetijd,
nog niet morsdood. Wacht, wacht, ik ben bij je.

Of hij, zoals zijn vriend en criticus Arie Storm terloops heeft uitgesproken, een van onze grote dichters is, is voor mij nog even de vraag. Voorlopig houd ik het op een bezeten en waarachtig dichter. Ik ben al lezend onder de indruk geraakt van de ernst, ja, de af en toe panische ernst waarmee Wieg zoekt naar een uitweg voor zijn existentiële gespannenheid, zijn gevoel van zinloosheid, zijn overbewustheid van het leven zoals het zich aan hem voordoet. Soms vallen zijn woorden wat uit de toon, schittert de straat wat te veel door de versregels heen, zijn beeldsprongen wat schielijk, maar daarnaast zijn er toch ook veel sterke regels: ‘Gevallen engelen met maar één vleugel/ geven oefeningen in doodgaan,/ geven geloof in niets,/ in maken,/ dat standhoudt alsof het iets zou zijn.//’. Toch is er uiteindelijk geloof in het leven dat enkel geleefd moet worden, al schrijvend of niet. Ik geef wat van mijn aanvankelijke scepsis prijs. Ik ben hem gaan waarderen!

***
Rogi Wieg (1962) publiceerde zijn eerste bundel in 1982. Sindsdien verschenen van hem zo’n 25 titels, waaronder Het boek van de beminnelijkheidWaar hij zijn jas hangt en De ander.
Over zijn jarenlange gevecht tegen zware depressies schreef hij in 2003 het boek Kameraad Scheermes, waarin hij de lijdensweg beschrijft van iemand die lange tijd op de rand van het bestaan heeft gebalanceerd.
Abys Kovács (Hongarije, 1976) studeerde in Hongarije Nederlands en Geschiedenis en volgde in Nederland de Gerrit Rietveld Academie.

Geplaatst in Recensies.