Germain Droogenbroodt – De mooiste Japanse haiku’s 1 en 2

Boscicaden in de stad

door Levity Peters

Het was halverwege de jaren zeventig dat ik kennis maakte met de Japanse Haiku. Er was een hausse van Oosterse literatuur. Eén uitgeverij gaf de Oosterse bibliotheek uit, stijlvolle, gebonden boeken, die onder veel meer niet alleen de levensbeschrijving van de profeet Mohammed bevatte, maar ook boeddhistische teksten van Shantideva, Indiase volkspoëzie, korte Koreaanse gedichten, en sēnryū; Japanse volkspoëzie.
Wat bij diezelfde uitgeverij niet in deze reeks verscheen, was de haikubundel Een jonge maan, vertaald door J. van Tooren, een flinke verzameling klassieke haiku’s (Meulenhoff, Amsterdam 1973). Misschien voorvoelde de uitgever de mogelijke populariteit van het genre, en bracht zij het boek daarom uit als een goedkopere paperback.

Hoe moeilijk Japanse haiku’s te vertalen moeten zijn, drong omstreeks diezelfde tijd tot mij door tijdens een avond van Poetry International in Rotterdam. Ik hoorde daar een Japanse dichter zijn korte gedichten voordragen, gevolgd door hun vertalingen die drie maal zoveel tijd in beslag namen. Ik vroeg mij af, of haiku’s wel te vertalen zijn.
Bashô’s beroemdste gedicht las ik ooit in vijf vertalingen. Hieronder die door Germain Droogenbroodt:

Een kikker die plots
in de oude vijver duikt
geluid van water

Om aan te tonen hoe weinig verouderd de klassieke Japanse Haiku’s zijn, ter lering en vermaak, hieronder een ‘sneldicht’ van tijdgenoot en als één van onze grote dichters aangemerkte Constantijn Huygens (1596 -1687):

De bomen, die ik zie
van ‘d aard ten hemel gaan met uitgestrekte armen,
zijn als de goddeloos’ in nood die opwaarts karmen
en weten niet tot wie.

Van Bashô, de zenboeddhist, ook een vers over bomen (in de versie van Germain Droogenbroodt) :

De eik verheft zich
en bekommert zich geenszins
om de kerselaars

Een niet te overbruggen cultuurverschil.

Haiku’s bleken compleet anders dan de sinds het begin van de vorige eeuw bij poëzieliefhebbers bekende Perzische kwatrijnen die Leopold, Boutens en De Mérode uit het Engels of het Duits hadden vertaald. Ze leken ook niet op de copla’s die Hendrik de Vries, uit het Spaans vertaald, had gebundeld en aangevuld met enkele gedichtjes van eigen hand. Daarnaast waren de haiku’s ook nog eens uit de oorspronkelijke taal omgezet in compact Nederlands en in de vorm die zij oorspronkelijk hebben.
Ik denk dat de beknoptheid van de gedichtjes één van de oorzaken is van hun aantrekkingskracht. Het flitsende karakter, waardoor ze veel beter in de tijd lijken te passen dan bijvoorbeeld kwatrijnen. Je hebt een haiku in een zucht gelezen, en kunt lang nagenieten. Zit ik in de tuin een boek te lezen, en een vlieg strijkt neer op de stoelleuning dan denk ik:

Deze vlieg niet doodslaan.
Hij wringt voor u zijn handjes
hij wringt zijn voetjes.

(uit: Een jonge maan, J.vanTooren)

De enige Nederlandse dichter wiens werk in de richting komt, was Max Croiset, die soms nóg kortere gedichtjes schreef, maar zonder vaste vorm:

met de schaduw van een enkele wolk
streelt de voorjaarslucht de zee

(uit: bewoordingen, Nijgh &Van Ditmar 1973.)

Ik haal hier een Nederlandse dichter aan, omdat ik mij afvraag of die vorm van vijf-zeven-vijf lettergrepen wel past bij onze taal.
Dat Haiku’s natuurgedichten zijn, waarin het jaargetijde te herkennen is, is een andere reden waarom ik mij afvraag of de haiku als zodanig wel past in onze verstedelijkte samenleving. Velen hebben nog nooit een kikker gehoord…

Al zijn er Nederlandse schrijvers die het soms lukt om aansprekende haiku’s te schrijven, toch zul je nooit horen over een groot haikudichter in het Nederlands, wat voor de hand ligt aangezien het persoonlijke element vrijwel ontbreekt. Hierin uit zich mijns inziens de grootheid van de grote Japanse haikudichters. Zelfs in vertaling zijn ze te herkennen, een verschil dat in de oorspronkelijke taal vanzelfsprekend nog duidelijker zal zijn:

Een tweede leven
zou ik wel willen en leven
als kersenbloesem

(Basho)

In deze wereld
is zelfs een vlinderleven
jachtig geworden

(Issa)

De haiku’s van Basho zijn introspectiever, die van Issa zijn lichter.

Ik ben mij er goed van bewust dat mijn mening subjectief is. Dat geldt tevens voor de vertalingen. Lezers hebben de vervelende gewoonte om de vertaling die zij als eerste genoten hebben, lang de beste te vinden. Wanneer ik de vertalingen van Germain Droogenbroodt lees, duiken automatisch de haiku’s op die ik in andere vertalingen las; het is niet anders. Maar ik verbind daar geen conclusies aan, ik spreek tenslotte geen Japans.
Waar de vertalingen van J. van Tooren bijna in telegramstijl zijn, komen die van Droogenbroodt zachter over, vloeiender.

Slechts in één geval had ik het gevoel: dit had beter gemoeten.

Tot mijn schaduw toe
is op deze voorjaarsdag
door en door gezond

(Issa)

Wanneer je het woordje ‘op’ wegdenkt, heb je een gaaf gedichtje, maar de haiku-vorm is weg.

Als je werk vertaalt waarmee anderen je zijn voorgegaan, zit je met een probleem; je kunt onmogelijk dezelfde bewoordingen gebruiken als je voorgangers, dus ben je, zelfs wanneer jouw vertaling samen zou vallen met die van één van hen, gedoemd om het anders te doen. Een ondankbare taak.
Dat iemand als Germain Droogenbroodt zich er desondanks aan heeft gewaagd, verdient lof. Vooral, wat mij betreft, met het tweede deel, dat naast haiku’s van de grootste, bekendste dichters (van wie veel mij onbekende gedichtjes), haiku’s bevat van een groot aantal mij onbekende Japanse dichters.
Waarvan ik minstens zo genoot.
Ik sloeg de tweede bundel net weer eens open en las:

De hele nacht lang
zegt het geluid van water
precies wat ik denk

(Goshiku)

Dan wil ik meer.

***
De Belgische dichter, vertaler en uitgever Germain Droogenbroodt (Rollegem 1944) is de drijvende kracht van de in 1984 opgerichte stichting POINT (POëzie INTernationaal).
Bestellen: http://www.boekenplan.nl/

Geplaatst in Recensies.