Gerrit Komrij – Boemerang en andere gedichten

Een God in het diepst van zijn gedachten

door Johan Reijmerink

De dichter Ramsey Nasr ziet in de poëzie van Gerrit Komrij de versplintering zo mooi opbloeien in vormvaste verzen. Veel drie- of vierregelige strofen, al dan niet in sonnetvorm, met regelmatig rijmschema. Een houvast voor zijn beheerste en doordachte taalvirtuositeit. Het verbaast dan ook niet dat een schrijver als Tom Lanoye verliefd is op Komrij’s technisch kunnen. Ik stem in met hun beider vaststelling, ook als het gaat om deze nieuwe, postume bundel Boemerang. Een klankrijk slotakkoord van een omvangrijk oeuvre.
Komrij’s vormkracht en perfecte beheersing van talrijke taalregisters maken hem sinds jaar en dag tot een uniek dichter in ons taalgebied. Van archaïsch tot triviaal taalgebruik krijgt daarin een plaats. Hij put uit de rijke traditie van de Griekse, joodse en christelijke overlevering, kent zijn klassieken en heeft ook tegelijkertijd enig besef van wat er in de actualiteit speelt. Hij is om die laatste reden niet voor niets een tijd lang onze dichter des vaderlands geweest.
Zo staat er in deze bundel een actuele tweeluik over Europa: ‘Het verdriet van Europa’ en ‘Europa’s troost’. Europa is in verval. We moeten onszelf opnieuw gaan uitvinden:

Ik stel me voor: Europa is vergaan
(Barbaren, vuur, vermoeidheid of cycloon)
En wordt, aan de overkant van de oceaan,
Door een melancholiek en rijk persoon

Opnieuw gebouwd: Venetië, Parijs,
Berlijn, Milaan, de hele pracht en praal.
[…]

Ik zit in een verkoolde woestenij
Te kijken naar een roze wolkenrand

Dromen lijken gedoofd, maar in een park is voor nieuwsgierigen een feest georganiseerd:

Er prijkt zo’n stoet aan dromen in de Ark
Dat iedereen meteen vereuropeest.
En zo begint het liedje andermaal.

Met enig hernieuwd geloof in onszelf komen we er na deze zondvloed wel weer door heen in de ark van Draghi. Komrij brengt die toekomstige ontwikkeling vanuit een verrassend perspectief in beeld.
De bundel bevat zeven afdelingen, deels voltooid, deels onvoltooid. Komrij had het plan om drie grote afdelingen te maken. Deze uitgave in onvoltooide versie is door zijn vriend en partner Charles Hofman geheel in overeenstemming met de bedoelingen van de dichter samengesteld. Als je de verzen van Komrij leest, hoor je nog altijd zijn stem erin opklinken. Een scherpe, heldere en gedragen stem, een beetje lijzig als van een vermoeide oude vrouw die het niet kan nalaten zich toch met het aan haar voorbijgaande leven te blijven bemoeien. Hij kan in zijn poëzie ongenadig hard uithalen over alle mislukking die dit tranendal behelst, zoals in het gedicht ‘Vervloeking’ waarin hij de lieden die hem verafschuwen toewenst dat ze ontploffen. De meester is sinds kort niet meer onder ons, maar zijn postume bundel glanst alsof hij nog altijd springlevend is. Als je zijn bundel een paar keer doorleest, valt je op dat het lijkt alsof hij hem speciaal voor ná zijn dood geschreven heeft.
Op veel plaatsen kiert de dood tussen de regels door. Het begint al met de ‘psalm’ aan het begin van de bundel. Een lofzang met een dubbele tong:

de avond vrees je en het grote krimpen
de dingen in de kamer hebben pijn
Er lopen dwars door je geraamte schimmen
[…]
schimmen van vroeger die maar niet bedaren
[…]
we dansten en we blaften naar de maan –
nu praat het daglicht met een dubbele tong –
er komt nog een luguber feestje aan

Het feest van de onbezonnen jeugdjaren maakt plaats voor het afschrikwekkende feestje in het schimmenrijk. Al van jongs af aan moet hij zich achterna gezeten hebben gevoeld door het niets, de dood. Hij had er een vertrouwdheid mee:

De builenpest bezoekt de godenzonen
En liefde staat gelijk aan levenslang.

De held voelt zich achtervolgd. Een blauwdruk van het schimmenrijk tekent blijkbaar al in de loop van je leven zich in je lichaam af. Een realiteit waarvan je met enig cynisme afstand van zou willen nemen, maar dat is aan ons niet vergund.
In de afdeling ‘Morseseinen uit ‘Il Vittoriale’ staat het gedicht ‘Geraffineerde eenzaamheid’. Daarin dekt de ik-persoon zich in tegen het naderend einde met die bekende zelfironie en relativering die zich bij Komrij vaak manifesteert door veelvuldig gebruik te maken van paradoxen:

Ik maak nu al mijn hemel klaar.
De poortwachters zijn per dozijn besteld.
[…]
De dood is maar een kleine hinderpaal
Voor wie de platte schijn (die wereld heet)
Kan overwinnen. Alles is verhaal.

Vooral dit laatste zinnetje is typisch voor de poëzie van Komrij. De dichter die van het woord en de verbeelding leeft, en in deze strofe het woord, het verhaal wegschrijft, omdat hem dat nu van pas komt in het zicht van de naderende dood. In de paradox ligt zijn kracht:

Mijn stervenskreet is een geboortekreet.

Hoe voller ik mijn magazijnen maak,
Hoe meer ik van die schijnwereld afraak.

Altijd weer het gevecht tussen schijn en wezen.
In het titelgedicht ‘Boemerang’ meet hij zijn ongenoegen breeduit over de loop des levens. Zelfs de liefde tussen godenzonen kan levenslang betekenen. Het leven is voor Komrij als een boemerang geweest. Wat je ook doet of niet doet, begin en eindpunt is de eeuwige slaap.

Boemerang

Hij is bewusteloos. Vrouw Niets ontwaakt.
Het niets versmelt zich met de sprookjesprins
En wordt ook door begeerte aangeraakt.
Nu, niet verliefd, maar toch wel enigszins.

Het niets komt uit de slaap en de begeerte
Uit niets. Verschrikkelijk zijn deze drie.
De zon is dof, de wereld omgekeerd,
Er zit een haarscheur in de harmonie.

De jeugd wordt nagezeten door demonen,
De ouderdom wiegt zich in zoet gezang,
De builenpest bezoekt de godenzonen
En liefde staat gelijk aan levenslang.

Dit gedicht verenigt alle ingrediënten van het melancholieke levensgevoel in zich, van waaruit Komrij zo dikwijls met de afstand tot het leven zijn ironie schept, zijn poëzie schrijft. Het leven als een bitter sprookje. Hij ontwaakt, weet zich door begeerte aangeraakt, ‘niet verliefd, maar toch wel enigszins.//’. Iets van de weerspannigheid, zo eigen aan de mens en dichter Komrij wordt zichtbaar. Een Nietzscheaans levensgevoel van het Niets hangt in de tweede strofe boven het leven:

Het niets komt uit de slaap en de begeerte
Uit niets. Verschrikkelijk zijn deze drie.

Een beeld van de omgekeerde wereld als een middeleeuwse voorstelling. De bedoeling ervan is anders dan we denken dat ze is. Het leidt allemaal tot niets. We zijn gevangen in de ijzeren kooi van onze eigen voorstellingen. Demonen van begeerte belagen ons. We laten ons oud geworden in slaap sussen. Het niets overkoepelt alles.
Komrij is een meester in het hanteren van ironie, cynisme en sarcasme, al naargelang het onderwerp dat vereist om zodoende zijn tegendraadsheid, boosheid, ergernis of spotlust erop bot te vieren. Een sterk voorbeeld van de zinloosheid van het bestaan is te vinden in het gedicht ‘Amnesie’ uit dezelfde afdeling ‘Binnenstebuiten’. Hij neemt daarin ons verlangen op de korrel om vervolgens weer te vergeten:

Verlangen – maar het doel is hij vergeten.
Hij voelt genadeloos dat hij verlangt,
Alsof hij in een mierzoet weefsel hangt,
Maar wie of wat, hij zou het niet meer weten.

Misschien verlangt wel iedereen naar hem,

De echo van een vrouwenstem lijkt hoorbaar, gesmoord. Hij droomt verder

van een nauwte in Niemandsland,
Beschenen door een niets beschijnend licht,
Met zwarte schimmen op een zwarte wand.
Hij laat de hele wereld achter zich.

De afdeling ‘Fata morgana’ bevat een paar gedichten die in korte verzen preluderen op het naderend einde. Komrij zet de ik-persoon als volmaakt mens-God neer. Wat dat aangaat meet de ik-persoon zich geregeld de statuur aan van de ‘oppermachtige’ mens die regeert over zijn ‘lege’ universum. Hij bedient zich dan van woorden en attributen die in de wereld van de religie thuishoren:

Ik kan alles. Ik ben rond.
Ieder tandwiel werkt. Ik glim.
Ik ben wonderlijk gezond –
ik ben goed en ik ben slim –

God, wat hieraan nog verbeterd?
Geen albasten beeld is gladder
En geen duizendpoot completer –
(Mijn route is de jakobsladder)

Ik ben een fenomeen als geen
En met geen woorden vast te pinnen –
Een kroonjuweel, een edelsteen.
Ik heb een bruidegom te winnen.

De volmaakte godenzoon verdient een bruidegom om hem klimmend op de jakobsladder te begeleiden op weg naar de hemel. Romantische zelfvergroting: Bilderdijk, Marsman, Komrij. Maar direct daarop lees je in het gedicht ‘Chloroform’:

Ik ben een nuchtere gek
En het doofstom talenwonder –
De landman zonder plek,
De gestenigde zonder wonden –
[…]

Ik ben gereed om te gaan.

Hier spreekt het slachtoffer mens. Het gedicht ‘Sukkel’ spreekt vervolgens van een zielenpoot die het hart op zijn hand draagt en die een schemergebied binnentreedt. De ik treedt het mysterie tegemoet:

Hij (=God – JR) is er niet.

Verdwenen. Hoe zal ik hem noemen –
Een koningskind of een beest?
Niets redt me, niets kan me verdoemen.
Hij is er gewoon nooit geweest.

De ik is overgeleverd aan zichzelf. Hier proef je een zoeken naar de waarheid van wat het mysterie van dit leven heet. Dat hij het nodig heeft het te benoemen, bewijst zijn onzekerheid over wat er nog meer te zeggen is dan dat ‘De ontbinding heeft ingezet, amen -//’. Komrij zingt zich aan het eind van zijn bundel naar een ultiem geluk:

‘Het eindstation van niks en niemendal’.
[…]
Er woedt een fakkeloptocht in mijn hart.
Een wolk ontploft. De zon komt moordend op
En nergens zie ik nog een reepje zwart.

Deze bundel is met ware ‘doodsverachting’ geschreven, zoekend naar een wankel evenwicht te midden van het mysterie dat leven heet en dat zijn schaduwen uitstrekt tot ver over de grens van leven en dood heen. Je kunt de vraag over het leven na de dood nu wel van je af willen werpen, maar hij komt weer als een boemerang bij je terug.

 

Geplaatst in Recensies.