Jan Glas – Als was zij mijn vrouw

Leren houden van een droogkloot

door Wilma van den Akker

De dichter Jan Glas heeft eerder bundels in het Gronings gepubliceerd. Als was zij mijn vrouw is zijn debuut in het Nederlands. Op het achterplat lees ik dat hij een podiumdichter is. Dat lees ik af aan zijn gedichten. Ik zie veel droge, staccato zinnen. Het zijn nuchtere, aan het banale grenzende constateringen. De chemie zit hem in het bij elkaar brengen van zulke constateringen. Een voorbeeld uit de eerste cyclus van de bundel, getiteld ‘Toch nog onverwacht’:

De hotelmanager

De hotelmanager heeft mij verlaten.
Ik mis hem zo erg dat het pijn doet.
Ik moet opnieuw leren slapen.

Ik heb zulke fantastische herinneringen
[…]
Hij vertelde over zijn jeugd, z’n moeder,
over zijn werk als hotelmanager.
Het hotel had bijvoorbeeld 34 kamers.
Hij had een paar leuke collega’s.
[…]

Ook in de laatste strofe wordt droog de afloop van deze relatie verteld. En toch blijft hij haken, omdat niet alles verteld wordt:

Toen begon ik hem vast te houden
en dat moet je nooit doen,
dat staat in alle boeken.

Het allerdroogste gedicht van de bundel vind ik ‘Van een ei op een bord’, uit het tweede deel, ‘Schildersliedjes’. Het beschrijft een stilleven zo zakelijk dat het gedicht zelf een stilleven wordt. Zo saai dat het komisch wordt, en ironie doorklinkt.

[…]
Het stilleven was zo knap geschilderd
dat het allemaal levensecht leek,
uit een of andere voorbije tijd.

Het hing in een huiskamer, naast een merklap
met Hollandse huisjes in kruissteek, dappere molentjes,
een oude pomp, een boertje in een kiel
en een boerinnetje dat twee emmers draagt.

Waarschijnlijk emmers met melk, want
er stond een melkbus naast.

De conclusie van de laatste strofe is zo alledaags en onnozel, dat ik er in het dagelijks leven iemand om zou willen sláán. Ik kan me voorstellen dat het voorlezen van zulke poëzie een publiek aan het lachen brengt. Als lezer heb ik daar iets minder last van, maar al lezende ga ik van deze gedichten houden. In ‘schildersliedjes’ staat ook een titelloos gedicht dat in eerste instantie morbide associaties bij me oproept.

Binnenzitter onder verscherpt toezicht.

In de kamer die van jou is maak je iets
zonder titel,

voor weer een nieuw meisje. Meisjes
vind je op straat.

Van meisjes maak je in een handomdraai
danseresjes.

Een psychopaat die meisjes verzamelt? Uit de verantwoording achterin de bundel blijkt het gedicht te zijn geschreven bij een werk van kijkdozenkunstenaar Joseph Cornell, Untiteld (Pink Palace). Een afbeelding en beschrijving van het kunstwerk staan hier. Cornell was geen psychopaat, maar had wel wereldvreemde trekjes, ook beschreven in het volgende titelloze gedicht.

In het derde deel van de bundel, ‘Andere mannen en situaties’ vinden we onder andere het titelgedicht, waarin ik in gunstige zin blijf haken bij het beeld van een vrouw met ritselende plastic zakken om haar vieze voetjes. Een goede kunstgreep is uitgehaald in ‘De overtollig geworden dromen’:

[…]
‘s Avonds zien we de beelden op het journaal:
Doodvermoeide dromen,
sinds eind vorig jaar onderweg.
[..]

Deze pars pro toto werkt. Naarmate ik meer en aandachtiger lees, ga ik van deze ‘droogkloot’ houden. Schijn bedriegt. Ik kan me voorstellen dat een sappig Gronings accent de taal van Glas nog mooier maakt. Daarvoor zou ik eerst zijn Groningse gedichten moeten lezen. Die kans heb ik nu, want uitgeverij kleine Uil geeft al zijn in het Nedersaksisch geschreven gedichten uit: Dubbel Glas Ale gedichten.

Geplaatst in Recensies.