Klassieker 162: Hugo Claus – De moeder

door Thierry Deleu

Meander Klassieker 162

Het heeft meer dan elf jaar moeten duren voordat eindelijk een gedicht uit het imposante oeuvre van Hugo Claus aan bod kwam. De bekende Vlaamse dichter, poëziecriticus en publicist Thierry Deleu tekent voor de bespreking van een van Claus’ bekendste gedichten.

De moeder

Ik ben niet, ik ben niet dan in uw aarde.
Toen gij schreeuwde en uw vel beefde
Vatten mijn beenderen vuur.

(Mijn moeder, gevangen in haar vel,
Verandert naar de maat der jaren.

Haar oog is licht, ontsnapt aan de drift
Der jaren door mij aan te zien en mij
Haar blijde zoon te noemen.

Zij was geen stenen bed, geen dierenkoorts,
Haar gewrichten waren jonge katten,

Maar onvergeeflijk blijft mijn huid voor haar
En onbeweeglijk zijn de krekels in mijn stem.

‘Je bent mij ontgroeid,’ zegt zij traag mijn
Vaders voeten wassend, en zij zwijgt
als een vrouw zonder mond.)

Toen uw vel schreeuwde vatten mijn beenderen vuur.
Gij legde mij neder, nooit kan ik dit beeld herdragen,
Ik was de genode maar de dodende gast.

En nu, later, mannelijk word ik u vreemd.
Gij ziet mij naar u komen, gij denkt: ‘Hij is
De zomer, hij maakt mijn vlees en houdt
De honden in mij wakker.’

Terwijl gij elke dag te sterven staat, niet met mij
Samen, ben ik niet, ben ik niet dan in uw aarde.
In mij vergaat uw leven wentelend, gij keert
Niet naar mij terug. van u herstel ik niet.


Hugo Claus (1929-2008)

Uit: De Oostakkerse gedichten, De Bezige Bij, Amsterdam, 1955.

De dichter Claus voorstellen is een overbodigheid. Zij die geen voorstander zijn van poëzie, komen toch niet tot inkeer: zij blijven hardnekkig vasthouden aan het gezonde principe dat ‘poëzie voor luiaards’ is. Zij die poëzie tot avondgebed hebben verheven, kennen Claus als hun broekzak. Bovendien heeft zijn euthanasie de lijdende mens van zijn eeuwige twijfel verlost.

‘De moeder’: is het de moeder van Claus zelf? Of is het de universele moeder. Een symbool? Niet twijfelen: Claus heeft het over moeder Germaine Vanderlinden, die Hugo baarde op 5 april 1929 in het Sint-Janshospitaal in Brugge. De familie Claus woonde in Kortrijk. De baby weende veel. De verpleegsters noemden hem ‘Het Verdriet van België’. Hij wilde eigenlijk niet op de wereld gebracht worden. Hij had zich in de baarmoeder gekeerd om de bevalling te boycotten.

Waarom deze ‘historische benadering’? Toen uw vel schreeuwde vatten mijn beenderen vuur./ Gij legde mij neder, nooit kan ik dit beeld herdragen,/ Ik was de genode maar de dodende gast. Wat hier vooral opvalt, is de rauwheid van het beeld. Het is die rauwheid en de manier waarop Claus alles in beeld brengt, die blijven overheersen.

De aankleding van het gedicht is erg mooi, geen goedkoop verhaal. Deze paradox tussen rauwheid en aankleding maakt vaker deel uit van Claus’ gedichten. Hierdoor wordt de lezer zich bewuster van zijn eigen zelfbeeld en het beeld dat de dichter of een andere lezer van hem heeft. Soms komen deze beelden niet overeen. Dat is juist boeiend.

Claus komt graag stoer over. Soms haalt hij alles uit de kast om zo ‘rauw’ mogelijk over te komen! Het volmaakte beeld van lichtheid en tijdloze poëtische schoonheid wordt zo moedwillig aangetast door de rauwheid ervan.

In ‘De moeder’ zijn alle elementen van die rauwe retorica aanwezig: de ontkenning, de transformatie, de niet verwachte (‘de genode maar de dodende gast), de vervreemding, het landschap na de geboorte.

De dichter spitst zich toe op de lichaamstaal en plaatst het natuurlijke menselijke lichaam tegenover het geïdealiseerde. De natuurlijke beweging tegenover het retorische gebaar. Het instinct tegenover de natuur, het instinct tegenover het intellect.

De rauwheid in ons bestaan, van geboorte tot dood, wordt verhuld in een betrokkenheid tussen moeder en zoon:

Haar oog is licht, ontsnapt aan de drift
Der jaren door mij aan te zien en mij
Haar blijde zoon te noemen.

De moeder is hier dezelfde moeder als zij die binnenstebuiten gekeerd wordt in de romanHet verdriet van België. Zij heeft de drift in haar getemperd door mij aan te zien en mij/ Haar blijde zoon te noemen. Maar zij is echter geen stenen bed, geen dierenkoorts/Haar jonge gewrichten blijven jonge katten.

Claus herhaalt het beeld van het schreeuwende vel en de vuurvattende beenderen. De dichter wil afrekenen met de Westerse visie op het lichaam: enerzijds een uitwendig of ‘fysiek’ lichaam en anderzijds een innerlijk of ‘onzichtbaar’ lichaam. Het onzichtbare lichaam incorporeert naast de zintuigen ook de geest, het intellect en de gevoeligheid. Het vuur is het energiesysteem. Het water is het eenmakende principe van het lichaam.

Na de geboorte wordt hij mannelijk en u vreemd. Maar voor zijn moeder blijft De zomer, hij maakt mijn vlees en houdt/ De honden in mij wakker.

In één en hetzelfde gedicht ‘beschrijft’ de dichter geboorte, leven en dood in een beeldspraak die hem terecht tot de groten doet behoren.

Geboorte: Toen gij schreeuwde en uw vel beefde/ Vatten mijn beenderen vuur.
Leven (= oud worden): Mijn moeder […]/ Verandert naar de maat der jaren. En: ‘Je bent mij ontgroeid,’ zegt zij traag.
Dood: Terwijl gij elke dag te sterven staat en In mij vergaat uw leven wentelend.

Ook het verdriet is hier aanwezig als hij een beetje wrang schrijft: gij keert/ Niet naar mij terug. Van u herstel ik niet.

Claus bewaart het evenwicht tussen sentimentaliteit en (gezond) verstand. Zijn gedicht speelt op het gemoed en bevat herkenbare elementen, maar door de rauwheid slaat de balans nooit uit naar pure gevoelspoëzie. Hij geeft op meesterlijke wijze die rauwe onopgesmuktheid vorm in taal.

Misschien is het dat juist wat de poëzie van Hugo Claus zo bijzonder maakt: het wankel evenwicht waarop zij balanceert, het evenwicht tussen aarde en vuur. Maar ook het contrast tussen ritme, helderheid en de kracht van de rauwheid. Wat mij vooral opvalt, is het feit dat ‘De moeder’ niet bezwijkt onder de sterke lading. Ook niet als enige trivialiteit het heft in handen neemt.

Iedere keer dat ik ‘De moeder’ herlees, breekt mijn stem. Het gedicht heeft zo’n wonderlijke impact op mij. Ik wil er haastig aan toevoegen dat Hugo Claus een zondagskind op moederschoot was. De verhouding met zijn vader steeg en daalde voortdurend, die met zijn moeder zweefde stabiel in hogere sferen. Dat is een constante in zijn werk.

 

Geplaatst in Klassiekers.