Toon Tellegen – De optocht

Die lieve, lieve dood

door Joop Leibbrand

Een geliefd genre in de late middeleeuwen was dat van de danse macabre, de dodendans, waarin de dood wordt voorgesteld als voordanser in een reidans waarmee de levenden worden weggevoerd naar het graf. Het bekendste voorbeeld uit de Nederlandse literatuur is de allegorie Van der Mollenfeeste van Anthonis de Roovere († 1482). De Roovere somt daarin in hiërarchische opeenvolging alle vertegenwoordigers van geestelijkheid, adel en burgerij op, benadrukt daarbij dat het om alle leeftijden gaat en maakt aan het eind duidelijk, dat zelfs de lieftallige meisjes niet door de dood gespaard zullen worden:

Hoort, ghy goede lieden al ghemeyne,
Edele, onedele aerme ende rijcke,
Ghy zijt ontboden, groot ende cleyne,
Te trecken in een ander wijcke.

[…]
Hoe jonc, hoe schoone, hoe vroom, hoe wijs,
Als d’ Opperste ghebiedt, soe moet ghy gaen
Trecken in ’t landt van Mollengijs.

Het gedicht zegt iets over de tijd waarin het ontstond, de ‘herfsttij der middeleeuwen’, waarvoor volgens Johan Huizinga gold: ‘Het is een boze wereld. Het vuur van haat en geweld brandt hoog, het onrecht is machtig, de duivel dekt met zijn zwarte vlerken een duistere aarde. En spoedig wacht de mensheid het eind van alle dingen. Maar de mensheid bekeert zich niet; de Kerk strijdt, predikers en dichters klagen en vermanen vergeefs.’
De oorspronkelijke functie van de dodendans was te waarschuwen voor het vergankelijke of te herinneren aan het fragiele van het menselijke leven en dat moet geplaatst worden in de maatschappelijke context van de vijftiende eeuw: de Zwarte Dood, de Honderdjarige Oorlog, ondervoeding .

Ook Tellegens De optocht handelt over de dood, die in vrijwel iedere regel wordt aangekondigd. Maar van een onderliggende gedachte waarmee de huidige tijdgeest wordt gekarakteriseerd en een apocalyptisch perspectief geschetst wordt, is geen sprake. Tellegen toont zich noch onheilsprofeet, noch boeteprediker, zaken als schuld, boete en vergelding spelen geen rol, ook al deugt van alle mensentypes die hij beschrijft ruwweg zo’n negentig procent niet. Als die Pats! worden weggevaagd, hoef je er geen traan om te laten. Maar tegelijkertijd is de cynische waarheid dat het degenen die wél deugen in geen enkel opzicht anders vergaat. Iedereen heeft een beperkte tijd, uiteindelijk valt ieder onderscheid weg, de dood is voor allen gelijk.

De optocht bestaat uit een lange serie prozagedichten, het zijn er 71, die vrijwel alle op dezelfde wijze beginnen. ‘Kijk, daar komen mensen aan’, opent de eerste tekst, en eerste regels op volgende bladzijden luiden ‘Daar zijn zij die nergens meer voor in aanmerking komen’, ‘Daar komen de onwelvoeglijken, de inhaligen, de heerszuchtigen’, ‘Daar komen de opdringerigen, de hardleersen, de doortrapten’, ‘Daar loopt een man die rücksichtloos in God gelooft’.

Kijk, daar komen mensen aan.
Ze denken dat er geen muren zijn, geen valkuilen, geen dodelijke
omhelzingen op het midden van onze weg.
Pats!
En daar komen auto’s, fietsers, spreeuwen, muggen.
Pats!
Daar komen vrouwen, gedreven door lichtzinnigheid en
plotselinge opwellingen, hun lippen rood van begeerte, hoor ze
roepen hoe onweerstaanbaar zij zijn: ‘Wij zijn hier! Wij zijn nu!
Wij zijn alles!’
Pats!
Daar komen mannen, met hun pijnlijke tekortkomingen en
luchtkastelen, hun schrikbeelden en stemmingmakerij, hun
zenuwtrekkingen en zelfbedrog, hun tomeloze aanvechtingen en
opzettelijke misrekeningen, ze rapen al hun moed bij elkaar om
raadselachtig om zich heen te kijken.
Pats!
En daar komen kinderen, ze zijn zo doorzichtig en zo
ingewikkeld… hoor ze zingen dat ze groot zullen worden en
grimmig en hun verstandelijke vermogens in dienst zullen stellen
van rijkdom en genot.
Pats!

Op dit moment weet de lezer het nog niet, maar ‘mensen’ blijkt ‘alle mensen’ te zijn, alle vrouwen, mannen en kinderen, de hele mensheid, en de spreeuwen en muggen wijzen erop dat het in feite zal gaan om alles wat leeft. Alles wat leeft zal op enig moment getroffen worden door de dood, die naar believen neemt en meest onverwachts – Pats! – toeslaat. Geen discussie, geen onderhandeling, geen uitstel, en vaak als je er het minst op verdacht bent. Elckerlyc verzuchtte het al: ‘Och, doot, hoe sijdi mi so by,/ Als icker alder minst op moede!’ De optocht is één groot memento mori en doet daarin qua grondstelling denken aan de bekende moraliteit.

Tellegen geeft geen slachtoffer ook maar de geringste kans op een reactie. Er is geen stervensproces met daarin te onderscheiden fasen als ontkenning en woede, of zoals in de Eckerlyc, een poging afstel of uitstel te verkrijgen of dan toch tenminste te proberen iets van de aardse bezittingen mee te nemen. Aan zoiets als werken aan het zielenheil komt bij hem zéker niemand toe, er is stomweg geen tijd voor. Iedere keer weer, minstens 220 keer, is het Pats!, en dus in één keer afgelopen. Want onderschat hem niet, ‘de dood met zijn hitsige gebaartjes, zijn sluike/ haartjes, zijn spitse oortjes, zijn sluwe oogjes, zijn grijpgrage/ klauwtjes, zijn pruilende mondje, zijn voldongen tongetje, zijn/ warrige taaltje, zijn kwaadschikse willetje, die lieve, lieve dood,/ die aanvalt en zich terugtrekt en hergroepeert en weer aanvalt…’

Het precieze aanwijzen van al wie sterfelijk is, is in feite een inventarisatie van al wat leeft. Met recht zou je daarom kunnen zeggen dat De optocht vooral een bundel over het leven is. Totaal, in alle aspecten. Er trekt een eindeloze stoet voorbij, ingedeeld naar mensentype, karakter, levenswijze, achtergrond, etc., een wonderbaarlijk gedifferentieerde stroom menscategorieën: de armlastigen, de bemoeizieken, de bewierookten, de welbespraakten, de inhaligen, de heerszuchtigen, de doortrapten, de onbuigzamen, de gezapigen, de bedeesden, de onzelfzuchtigen, de moederskindjes, de zelfgenoegzamen, de mannen in imitatieleren jassen, de geloofsgetrouwen, de gemakzuchtigen, de gekwelden en gekwetsten, de doodzieke CEO’s, de dwarsliggers en hyperbole onruststokers… en ‘zij die geloven dat zij anders zijn, anders dan/ anderen, anders dan iedereen – maar niemand is anders: hetzelfde/ bloed gutst uit dezelfde wonden’.
Honderden zijn het er, en terwijl je je verbaast over het fascinerende tableau dat Tellegen schildert, schieten je voortdurend nog weer andere mogelijkheden te binnen. Een blik binnen de familie, het werk, de buurt volstaat…

Daar komen zij die zelfbewust en luid zingend op weg zijn naar
hun eerste wandaad, hun eerste leugen, hun eerste uitvlucht, hun
eerste hatelijke terzijde, hun eerste wrok, hun eerste
wraakoefening, hun eerste plichtsverzuim, hun eerste
krokodillentranen, hun eerste valse beschuldiging, hun eerste
zwaktebod en hun eerste vurige wens liever dood te zijn dan
Pats!
En daar komt de onschuld in eigen persoon, zo gelijkmoedig en
zo delicaat, in zijn dunne, tot de naad versleten jas, een glimlach
rond zijn kapot gekuste mond, het leven kolkt om hem heen,
zij beven van schrik en vervoering, en toch, toch is ook hij
een kleine, ontaarde huichelaar, een weloverwogen judasje dat
zijn onwankelbaarheid moeiteloos loslaat en als een ballon tussen
de wolken ziet verdwijnen.
Pats!
Daar komt een man die zijn hersenen afpijnigt, maar niet weet
over wat, die termijnen heeft laten verstrijken, ontmoetingen
heeft vermeden, vriendschappen heeft verspeeld, kansen heeft
laten liggen en nu zichzelf vakkundig ontmantelt en wenend ten
onder gaat in de schemering van een dag als elke andere, het leven
heeft zijn lusten botgevierd op hem, zal zijn vertier nu bij een
ander vinden.
Pats!

Natuurlijk zijn er ook vele eenlingen: ‘een stille jongen, alleen en rotsvast overtuigd van zijn minderwaardigheid’, ‘een onbestemde man, die met alle winden meewaait’, ‘een man zonder achtergrond, een man an sich’. Ook in de rij dit onverwachte tweetal:

En daar, dat moet God zijn, dood gewaand en schilderachtig,
moedwillig bebloed en alwetend, vastbesloten en rechtzinnig,
ontoegankelijk en onveranderbaar, kijk, hij staat stil, als een dove
roerdomp in het riet, hij meet zijn reikwijdte en zet een klein,
onverbiddelijk puntje op de nog onbevlekte i van het ik-besef,
hij zingt, hij ontvouwt, ontstijgt, ontspringt de
Pats!

en

kijk, daar, dat lijkt de Heiland Himself wel, dat vlassige baardje,
die verschrompelde geitenstrot, die bleekzucht, hij kijkt
beteuterd om zich heen alsof hij nog maar net is opgestaan… het
onzalige idee…! er was hem toch beloofd…
[…]
Pats!

Verrassend is dat niet lang na het vertrek van deze twee een donderslag klinkt en een stem roept: ‘Is er dan niemand, niemand/ dankbaar?’
Overal vandaan wordt teruggeroepen: ‘Nee!’, want

waarvoor zou iemand ooit dankbaar moeten zijn? Voor dit
overdreven, deerniswekkende, monotone, rituele, hooggespannen,
schaarse, miserabele, niet noemenswaardige, ondeelbare,
onlosmakelijke en ondubbelzinnige tegendeel van het leven, dit
eeuwige eenrichtingsverkeer?
Pats!

Een eeuwige optocht, maar voor de deelnemers en toeschouwers eenmalig. Ook voor de ik, die wel moet verschijnen:

Die man, die daar nu komt, dat ben ik, nee, dat ben ik niet, jawel,
dat ben ik ook! Ik roep naar hem: ‘Ik ben jou!’ en hij knikt en
roept terug dat iedereen dat weet en dat ik iedereen ben en dat
iedereen mij is […]

Direct na de verschijning van de ‘ik’ vervolgt de tekst met ‘Nu is het stil, nadert er niemand […]’ en komt er een drie bladzijden lange opsomming van alles wat er niet langer meer zal zijn: ‘niemand meer, geen inzichten meer, geen/ beweegredenen, geen gewetensbezwaren, geen begrip, geen/ ceremonieën, geen cris de coeur, geen hooglopende ruzies en/ nietszeggende autoriteiten […]’ Een schier eindeloze stroom waarvan je niet het het besef had dat dit alles samen ons leven uitmaakt.

Daarna gaat de optocht verder, en voor de tweede keer wordt de ik gesignaleerd: ‘En daar, vlak achter haar, die man, die nu heel dichtbij is, die/ gewillige, zachtzinnige, loslippige, misprijzende, afzijdige,/ […]/ welwillende, inschikkelijke, toegeeflijke, droefgeestige, boetvaardige,/ bangelijke man, dat lijk ik wel!’
Even later – ‘En kijk, wie komt daar, het lijkt wel de ouderdom, mijn/ ouderdom’ – is de bestemming bereikt en kan ook dokter Tellegen niets meer voor de ik doen.
Helemaal aan het eind komen dan nog ‘de laatste nog ongeborenen’, zodat we werkelijk iedereen hebben. En dan? De laatste regels luiden: ‘Alleen een duif is nu nog onderweg, de witte duif van de / onverschilligheid.’ Als alles voorbij is, zal noch bij het leven, noch bij de dood kunnen worden stilgestaan.

De vraag rest of Tellegen bij het schrijven van zijn memento mori toch niet een bepaalde, onze tijd teisterende ‘pest’ voor ogen heeft gehad. Veel had in aanmerking kunnen komen, van de milieuproblematiek, het ongebreidelde consumentisme, of het egoïstische hedonisme tot bijvoorbeeld het onvermogen oorlog en geweld uit te bannen. Maar Tellegen is niet in de valkuil getrapt van zijn optocht een aanklacht te maken. Hij kijkt toe, signaleert, sluit aan in de rij. En wij moeten mee, want dit is geen bloemencorso, carnavalsoptocht, defilé, of processie, waarvan vertrekpunt en bestemming in feite irrelevant zijn, die je aan je voorbij kunt laten trekken, waarbij je aan de kant kunt blijven staan. Je moet mee, en het wonderlijke is, dat je dat ook wilt. Wie zou er alleen achter willen blijven? Pats!

Wat een formidabel boek schreef Tellegen, een feest van taal. Dit moet in één grote reidans de wereld over. De vertalers mogen hun tanden erop stuk gaan bijten.

Geplaatst in Recensies.