Cees Nooteboom – Licht overal

De adem waarvan ik leef

door Joop Leibbrand

De selectieve bibliografie op de site www.ceesnooteboom.nl/ maakt melding van een kleine zestig titels, waarvan alleen De Bezige Bij al er nog ruim veertig aanbiedt. Romancier, reiziger, dichter, kunstbeschouwer Cees Nooteboom (1933) is een veelschrijver, maar in zijn geval is het ongepast aan de pejoratieve betekenis van het woord te denken. Vertaald in een kleine dertig talen, eredoctoraten in Brussel, Berlijn en Nijmegen en belangrijke literaire prijzen wereldwijd (de site noemt er 26, waarvan 13 in Nederland) bewijzen dat hij algemeen erkend wordt als een auteur van bijzondere klasse, die ook als dichter met regelmaat en consistentie een imposant oeuvre heeft opgebouwd.
Wie hem als zodanig nog moet leren kennen, kan op zoek gaan naar Vuurtijd, ijstijd. Gedichten 1955-1983, naar het in 2000 verschenen Bitterzoet. Honderd gedichten van vroeger en zeventien nieuwe, of begint meteen met Licht overal, de eerste volwaardige nieuwe bundel na dertien jaar.

In 2004 publiceerden Cees Nooteboom en Remco Campert bij Atlas het bundeltje Over en weer. Gedichten als brieven, een briefwisseling in de vorm van gedichten. Nooteboom nam in zijn nieuwste bundel zijn aandeel op, kennelijk omdat de gedichten, al zijn ze dan al al wat ouder, hun geldigheid voor hem niet verloren hadden. Dit is er een van:

2.

En vannacht, in de stenen stilte
van mijn kamer, het huis op het eiland,
onder het web van sterren, de palmen roerloos,
kwamen die andere stemmen, Auden en Frost
en Elisabeth Bishop, Pound en Cummings
en Sylvia Plath, woorden op mijn schouders,
in mijn haren, tegen de ramen,
dichters, gedichten,
droombeeld, verhaal, getijden
van toen, ooit, nu,
naast me, achter me, op de maat
van de mot tegen het licht, zinnen,
ooit hardop gesproken in een andere ruimte,
nu bij mij binnengelopen
als de omarming van vrienden, de monden
van al deze doden in het middelste
nachtuur,
de adem waarvan ik leef,
en jij.

Het is plaatsbepaling en verantwoording ineen. Enerzijds het bewust gekozen isolement van de eenling, doordrongen van een diep doorleefd gevoel van tijdelijkheid en vergankelijkheid (‘de mot tegen het licht’), anderzijds de gemeenschapsmens met een sterk besef van continuïteit, die stroom van verleden, heden en toekomst waarin het ‘ik’ weliswaar slechts passant is, maar zich deel weet van een talige traditie die hem heeft gevormd en die hij voort moet zetten.
Het motto van Lucebert dat de bundel meekreeg, zegt precies wat hier gebeurt: ‘maar wat je ontkracht en verwart/ niemand te zijn en nergens/ en dan nog iemand te zijn en hier’.

Nooteboom is een auteur die zich zeker in zijn gedichten rekenschap wenst te geven. En dat niet eng beperkt tot het eigen kleine particuliere bestaan, want hij is niet de dichter van de romantische ‘overflow’ die aan zichzelf genoeg heeft. Het gaat bij hem om het bestaan in de breedste zin, om zijn plaats in de beschaving, de cultuur van vroeger en nu, van hier en elders en daarom ligt zijn kracht vooral in het beschrijvende en beschouwende. Hij is in dat opzicht een ziener van de werkelijkheid, maar zonder enige profetische aanmatiging. Nooteboom is vaak een homme de lettres genoemd, een poeta doctus, een dichter die zich graag met vertoon van geleerdheid en via verfijnd taalgebruik richt tot een elitair publiek. Op sommigen komen veel van zijn gedichten epaterend over, maar dat is een onbedoeld effect van zijn onderwerpkeuze. Zo bevat Licht overal een afdeling ‘Ontmoetingen’ met daarin gedichten over Juarroz, Wittgenstein, Hesiodus, Meng Chao, Shelley, Borges, Descartes, Vergilius, Ungaretti en Wallace Stevens. Geen dagelijkse kost, maar Nooteboom is geen poseur. Hij draagt wel iets soevereins uit, en zijn gedichten houden altijd een zekere afstand. ‘Het ene gedicht heeft het andere gegeten.’ (uit ‘Het’.)

Afstand houden de gedichten ook ten opzichte van zichzelf. Zeker bij herlezing valt op hoe vaak de gedichten naar zichzelf als gedicht, als taalbouwsel verwijzen. Taal maakt geen gedicht, ‘Daar heb je een dichter voor nodig’, schrijft Nooteboom in ‘Dichter’, een voor Anton Korteweg geschreven gedicht bij diens afscheid als directeur van het Letterkundig Museum. Het is het voorlaatste gedicht van de bundel en de lezer heeft dan al lang begrepen waar het in deze poëzie om draait. In de ruim vijftig gedichten die de bundel bevat, is er maar in hooguit een stuk of tien géén sprake van een directe verwijzing naar taal, woorden, schrijven, verskunst, gedicht en dichterschap. In vijfentwintig gedichten wordt ‘gedicht’ of ‘gedichten’ zelfs expliciet genoemd. Hier is een dichter in actie die zich hyperbewust is van het schrijfproces.

Een paar voorbeelden:
In ‘Gedicht’: ‘Weet jij hoe een gedicht/ eruit moet zien?/ Onderkant, zijkant, achterkant?/ Cijfers? Letters?/ En wat voor kleur?// Moet het op golven lijken,/ en dan wat voor?/ Zee, meer. rivier?/ Moet iedereen erin kunnen,/ en wat moet het kosten?’ Het gedicht eindigt aldus: ‘Er zijn geen wetten,/ zei de Meester, soms lijken/ ze op aandelen, dan weer/ op marsepein,/ en hij danste op de marmeren trappen/ van het mausoleum// de dag voor hij stierf/ aan een vergiftigd/ sonnet.’
In ‘Trixy’: ‘Wee degenen die de meeste woorden hebben./ Zij staan tot hun knieën in de nacht,/ hun gezichtboek vol namen/ en schimmel.’
In ‘Riso amaro’: ‘Alles van woorden is echt,’.
In ‘Landschap’: ‘Dit is waar ik ben, achter mij/ volgt mijn tijd, een eeuwige voetstap/ vol woorden,’.
In ‘Penobscot’: ‘Oud zijn is dodelijk.’ – ‘De lucht om dat alles/ is het hoogste verzinsel, een leven/ dat bestaat nu het nooit meer// bestaat.’

De gegeven voorbeelden wijzen tevens op dat andere belangrijk thema, dat van de illusieloze vergankelijkheid. In een van de brieven aan Remco Campert vraagt hij zich af: ‘Waar blijft alles/ nu we er zelf nog zijn?’
Hij schrijft, zo zegt hij in ‘Handschoen, jaartal, foto’, ‘tegen de dwang van de tijdmuur,/ de wetten van nooit meer nu.’ Hij wil tijd en ruimte overbruggen, wat altijd ‘tussen daar en hier/ de muiterij van verlangen’; ‘wie mij/ niet toelaat is vijand,’.
In ‘Balling’ (over een Chinese edelman uit de zevende eeuw voor Christus): ‘Ivoor en juwelen,/ dat alles kende ik, mijn schim/ verdwijnt in een plooi van de tijd,/ niets laat ik na, fijngewreven/ tussen het gruis van de dagen/ deel ik het lot van stenen en schelpen,’.

De bundel opent met de gelijkbetitelde afdeling ‘Licht overal’, 26 gedichten die een uitbreiding vormen van een in 2007 verschenen bibliofiele bundel van twaalf gedichten met inkttekeningen van Hugo Claus. Enkele gedichten eruit kregen door de tijd, door Claus’ overlijden een bijzondere extra lading. ‘Leeftocht’ bijvoorbeeld, het openingsgedicht, waarin aanwezigheid verkeert in betekenisvolle afwezigheid: ‘En op die middag lieten zij de wereld achter’. ‘Avond’, dat over Claus’ ziekte ging en dat nu als een in memoriam voor hem is opgenomen. De daarin genoemde euforbia is dan ineens geen neutrale terrasplant meer, maar de wild woekerende wolfsmelk, berucht om het giftige melksap. (En als Nooteboom het zo niet bedoeld heeft, is het bij dezen aangereikt!). Hierop volgt direct ‘Figuur’, dat door de plaatsing achter ‘Avond’ als een rouwgedicht voor Claus functioneert: ‘De bloem van de hibiscus duurt een dag.’

Een van de mooiste gedichten uit de bundel gaat over de door Nooteboom meermaals bezochte boeddhistische kloostertempel Kozan-ji en zijn stichter Myoe (1173-1231) van wie een beeltenis in het klooster hangt. Ik citeer de eerste, vierde en vijfde strofe:

Kozan-ji, Myoe mediterend

Als ik ben verdwenen
zul jij er nog zitten,
kleine monde gesloten,
ogen gesloten vol hemelse leegte,
je sandalen onder de boom.

[…]

Altijd als ik je zie,
is een seconde vervlogen.
Zo gaat het al eeuwen, bij jou
worden jaren van tijd.
Dezelfde twee vogels,
te ver om te kennen,
de bomen die zachtjes bewegen,
steeds stiller ben je geworden,

wind, regen en sneeuw
zijn door de heuvels getrokken
terwijl jij er was en niet was.
Niets kan je beroeren
zo voor mijn ogen verloren
dat ik mij kan horen
vergaan.

De wereld is zijn klooster, zijn zwijgen zijn schrijven.

Geplaatst in Recensies.