LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

F. Starik – Door

12 feb, 2013

De schoonheid van het nihilisme

Door Roel Weerheijm

Door is een veelzijdige, rijke bundel. Met bijna honderd pagina’s poëzie is het een weldaad van stemmen en stijlregisters.

Het openingsgedicht heet veelzeggend ‘Acteur’.

De hele wereld is een steiger
van de wankelste soort en jij
staat daar natuurlijk bovenop voor je beroep
doe je belangrijke mensen na

De dichter spreekt iemand anders aan, maar misschien kijkt hij wel in de spiegel. Acteren is namelijk een kernwoord voor de bundel: de stem die de gedichten vertelt, hult zich telkens in een andere gedaante, neemt een andere stem aan, beroept zich op andere herinneringen en waarnemingen. Een lastige taak, zo blijkt uit het einde van dit gedicht: ‘eenvoudig is het niet maar iemand moet het doen / in de schaduw van een ander boven op de steiger staan’. Dat is acteren, en dichten, kennelijk: zowel dienstbaar zijn aan je onderwerp, je rol, als borstkasroffelend de aandacht trekken.

Het laatste gedicht van de bundel, ‘Kapsalon’, bevat enkele contemplatieve zinnen: ‘Zo heb ik tenslotte geprobeerd te leven.’, waarna een kapper zijn haar knipt. ‘Zo heb ik. Ten slotte.’ En dan is Door uit. De bundel tussen die twee gedichten in is niet bepaald dwingend van toon, niet coherent, niet geëngageerd. Door is een rijke bundel die inkijkjes in het onsamenhangende, redelijk doelloze leven van een individu in de huidige tijd weergeeft. Een bonte verzameling observaties, anekdotes en gedachten die elkaar niet zoeken. Als de titel Het verband tussen de dingen ben ik zelf niet gebruikt was door Remco Campert, was het een sterke samenvatting van deze bundel geweest.
Zo krijgt de daklozenkrantverkoper bij de supermarkt in ‘Voices, voices’ een stem. Hij herkent de schrijver (‘Dat heeft hij op een foto in de krant gezien.’) en herinnert zich dat die de man eerder geportretteerd heeft. De laatste vier regels komen van binnenuit:

Hij weet echt alles man.
Hij is niet gek!
Nu wil hij graag vertellen van de stemmen in zijn hoofd.
Gaan we allemaal tegelijk met elkaar in gesprek.

Elders duikt een herinnering op aan Bert Schierbeek (‘De eksperimentelen. Zo sgreven ze dat.’) en een bezoek aan het huis van Jan Elburg (‘Mevrouw serveerde suikerklontjes met een tang. Hij liet me zijn verzameling speelgoedautootjes zien.’) en ook een anekdote uit het eigen dichtersleven ontbreekt niet:

de mensen zeiden dat het mooi was, vroegen
of je weleens vaker voorleest, want je kan dat
eigenlijk best goed en wat of dat je drinken wou.
Een vrouw van minstens zestig wilde weten
waar je dan van leeft, als je een dichter bent.

Door staat vol met teksten waarin de dichter zichzelf als buitenstaander positioneert. Het onderwerp van de bundel, het alledaagse leven, wordt er bijzonder door. Je ziet de dichter voor je, met de handen op de rug loopt hij langs en signaleert iets kleins wat de meeste mensen ontgaat.

Duiven. Je hebt er eens een met haar kont
uit de zojuist gedaalde brug zien steken,
dacht dat zij nog net naar binnen kon,
nest onder de brug, geen idee,
waar je maar een ei kan leggen.

Dit valt ook op bij gedichten die niet over de buitenwereld gaan, maar over het verleden:

Met oma in het Rijksmuseum, bedden
waarop je niet mocht proefliggen, tafels
waar je niet mocht aanzitten,
(…)
Er werd gefluisterd dat oma nooit de afwas deed
omdat ze vroeger voor concertpianiste studeerde,
dan zijn je handen je kostbaarst bezit.

Er valt weinig te ontdekken achter de relatief eenvoudige anekdotes. Niet alleen ontbreekt het Door aan welk engagement dan ook, poëtisch gezien biedt het evenmin erg weinig materiaal aan om te herkauwen. De gedichten ontwikkelen zich niet bij herlezing.
Toch vind ik de bundel rijk. Die rijkdom ligt aan de oppervlakte, schuilt in de schoonheid van het toevallige karakter van veel gedichten. Onverschillig gebeuren de dagelijkse dingen die pas een bijzonderheid worden als je er als de buitenstaander naar kijkt die in Door aan het woord is.

De comedyserie Seinfeld laat personages zien in hun kleine irritaties, hun dagelijkse routine, hun onderonsjes en herkenbare situaties waarin vooral kleinburgerlijk leed naar boven komt (een suède jas die kapotgaat in de sneeuw, uren wachten in een restaurant, slechte service bij de wasserette, mislukte afspraakjes). De gedachte achter Seinfeld is dat er nergens een gedachte achter zit. Door lijkt dit nihilisme ook uit te stralen. Maar evenmin richt de poëzie de blik naar binnen. Dit is geen bundel waarin persoonlijke, psychologische kwesties op de poëtische pijnbank worden gelegd. Wie op zoek gaat naar een diepere laag in de gedichten, komt bedrogen uit. Het is wat het is. Door heeft geen navel, geen hemel en geen hel, maar bestaat alleen uit de blik op buiten.

***
F. Starik (1958) was twee jaar stadsdichter van Amsterdam (2010-2011). Bij de afsluiting ervan verscheen een driedubbeldikke editie van de daklozenkrant waarvan in twee weken 20.000 exemplaren werden verkocht. Hij werd onderscheiden met het Ereteken van Verdienste van de stad. Voor zijn gehele oeuvre werd Starik in 2009 bekroond met de Amsterdamprijs voor de kunsten.
Van F. Starik verschenen eerder de bundels Nepvuur (1988), Nieuwe vleugel (2002), Simpele ziel (2002), De grote vakantie (2004), Rode vlam (2004), De verdwijnkunstenaar (2004), Songloed (2007) en Victoria (2009). Daarnaast publiceerde hij een brievenbundel (Mijn leven als museum, 1993), een essaybundel (De humor van het theezakje, 2010) en twee bundels met levensschetsen rond zijn bekende Eenzame uitvaartproject: De eenzame uitvaart (2005) en Een steek diep (2011).

     Andere berichten