Mark Boog – Maar zingend

Aan het bestaan valt niet te ontkomen

door Johan Reijmerink

Als je de nieuwe bundel van Mark Boog Maar zingend (2013) in handen krijgt, springt de poëzie je op de omslag tegemoet. Krekels lopen massaal in de richting van de lezer. Plato verhaalt daarover in zijn Phaedrus. Toen de mensen de muzen muziek hoorden maken, raakten ze zo opgewonden dat ze vergaten te eten en te drinken. Uit deze verdroogde en uitgehongerde mensen zijn de krekels ontstaan. Symbolisch gezien ligt in de krekels de oorsprong van onze muziek en poëzie. Zij voeden zich met dauwdruppels en ontlokken met hun rituele mantra’s van geluid poëzie aan het onbewuste van de dichterlijke geest:

Hoe onooglijk ook: zing!
Zing! Laat weten dat bestaat.
Hoort iemand ooit? Onwaarschijnlijk.
Maar zing, zing! Verhef je
boven het harde gras, de kale steen.
Vanwege de korte duur.

Een oproep om tegen beter weten in te zingen! Hoe onooglijk het ook klinkt. Het woordje ‘dat’ in de bovenstaande strofe is typisch zo’n ontregelend woord in een gedicht van Mark Boog. Niet een oproep dat er ‘iets bestaat’, maar dat er tegen beter weten in ‘bestaan’ is. Onontkoombaar. Daarin ligt het dilemma van Boogs poëzie in de notendop vervat. Deze bundel rust op talrijke tegenstellingen, zoals hoop en wanhoop, bestaan en niet bestaan, herinneren en vergeten, gezamenlijkheid en solipsisme. Tussen deze polen in beweegt zich zijn poëzie.

Boog neemt je mee in een wankele wereld vol existentiële onzekerheid en twijfel, en dat doet hij trefzeker. In welgekozen woorden, soms staccato, dan weer in gangbare woorden met een ongrammaticale en/of betekenisvolle wending: ‘Woestijn: cynisch labyrint. O,/ te leven.//’. In de geest van de krekels brengt hij ons terug naar de natuur van het dichterschap. Deze bundel verdient alle aandacht om hem op zijn waarde te kunnen schatten.

De wereld volgens Boog is er één waarin ‘het volmaakte geluk,/ waaraan slechts duur ontbrak,/ dat onvolmaakt was,/’ op je ligt te wachten. De ik raakt verstrikt in de vele tegenstellingen en paradoxen, zonder er ernstig door gefrustreerd te raken. Dat komt, omdat de dichter op een subtiele manier met kleine woordjes te kennen geeft dat hij afstand tot zijn oneindige project van het volmaakte, het/de ander(e) weet te bewaren:

Het was lente, en het was vroeg, en jij
was dan de mooiste.
Vogels zogen zich vol met muziek
die ergens vandaan kwam.

Zo wordt het dus nooit wat met die volmaaktheid, maar ook weer wel, omdat de ik zich zodoende niet laat meesleuren in de ervaring dat het volmaakte geluk ‘in zijn duur’ onvolmaakt blijkt te zijn. Gelukkig is er nog de muziek die opklinkt.
Op diverse plaatsen in deze nieuwe bundel dringt het gevoel zich aan je op, dat, wat er is geweest, in de onzichtbaarheid van het vergeten opgaat: ‘Dagdagelijks verlies./ Steeds onnoemelijk [verschijnsel]//’, maar wel verlies lijdt. Hoewel de ene dag de andere niet is, vergeten we als bezetenen. Zoals de vlammen dansen, gaat alles in onzichtbaarheid op. Niets lijkt er geweest te zijn.

De bundel kent zeven afdelingen waarin de dichter op zoek gaat naar het volmaakte en de zin van het bestaan. In onze maatschappij zijn we van jongs af aan gericht op het najagen van wind. Streven naar het absolute. Als je de verzen uit de eerste afdeling ‘En tuchtig ons’ leest, dan krijg je de indruk dat de ik naar een houvast zoekt in zichzelf en de ander, maar niets kan hem definitief dat houvast bieden.

Boog lijkt op allerlei mogelijke en onmogelijke manieren te vragen wat er nu eigenlijk in en met het leven aan de hand is: ‘Is het niets? Welnee/ Nog niet.// Later wordt het niets,/ maar het maakt tegen die tijd niet meer uit.// Tot dan: geen zorgen.//’. Hij is naarstig op zoek naar een inzicht en bedient zich daarbij van allerlei taalregisters, van nieuwvormingen (‘dagdagelijks’) tot spreektaal (‘welnee’). De ik dialogiseert met zichzelf. Telkens word ik weer verrast door zijn taalvondsten, weglatingen, verschuivingen, beeldspraken: ‘Je bent het licht dat over het maaiveld strijkt./’ Zijn enjambementen verlenen aan zijn vrije verzen een leeswaardige spanning: ‘We drinken alles,/ ook elkaar./’.

Onthechting blijkt in het gedicht ‘Verder niets’ ook al niet het antwoord te zijn op alle onzekerheid die leven heet:

Verder is niets te zeggen.

Of toch? Er is altijd wat te zeggen
voor gewoon maar doorgaan,
de schrale plekken vrolijk negerend –

Niet berustend, niet cynisch, wel licht ironisch is zijn toon. Domweg doorgaan met leven is zijn devies. Er zit niets anders op. De afstand van de ik tot de dingen van alledag blijft, ook tot de taal: ‘Wat een wanhopig, wanhopig gedicht./ Het is maar goed dat het nooit geschreven is.// […] Het is heel goed zoals het is.//’ Soms marcheert de twijfel ook zijn gedicht binnen.

Op allerlei momenten probeert de ik de lezer en zichzelf gerust te stellen in dit universum. Hoe het ook zij, hij kent zichzelf daarin een opdracht toe: ‘Het is de bedoeling dat we zaaien, zaaien. //Oogsten./’. Als er niets van het heden te verwachten is, dan wellicht van de toekomst: ‘De toekomst! Vlucht! Maar hij komt, en komt/ met vuur en vlagvertoon. Een hemel vol/ drakenruiters, woedende goden, storm,/ een leger./’. Een apocalyptisch perspectief te midden van oudtestamentische noties, maar vluchten kan niet meer.
Dan klinken in het gedicht ‘Zie ontroerd op ons neer’ opeens de woorden: ‘en tuchtig ons. / Het graan waarvan het brood …/ […] Sla ons neer.//’. Is er dan toch nog een Ander dan de lezer die toeziet op de ik? Materie en geest zijn samengebald in dit gelaagde gedicht vol stemmen en stemmingen: (on)afhankelijkheid, vrees tegenover vreugde, transcendentie die op de aarde gericht is. In het gedicht ‘Natuurlijk’ is er een wending naar het wonderbaarlijk transcendente van het dichterschap. De poëzie lijkt voorlopig de enige zekerheid in het leven te bieden, hoewel: ‘Bestaat dan – ik hoor het me denken -/ het gedicht? Nee./ Dit gedicht? Misschien.//’.

In de tweede afdeling ‘Nergens vis’ probeert de ik achter het bestaan van dingen te komen waarvan hij een vermoeden heeft:

Het zijn zulke vragen die ons gaande houden,
die ons ijl als een reiger

peinzend aan gindse waterkant doen staan,
veinzend, jagend,
het heldere water een verschrikkelijke spiegel –
vind zo verdomme maar eens vis,

we zien alleen onszelf, vermoeden onszelf
in het betoverd rimpelen.

Boog presenteert hierin het wereldbeeld van Narcissus: de mens opgesloten in zijn eigen vermoeden, niet wetend waar hij antwoorden op zijn levensvragen kan vinden. In het gedicht ‘Er is altijd hoop’ gaat het om de weersvoorspelling of om vissen die naar zuurstof happen. De dreiging die er van het niet weten uit kan gaan, kan de dichter de verzuchting doen slaken: ‘Er lonkt de aangename aanname van alles/ zonder denken.//’. In dat terloopse, maar o zo rake filosoferen, soms tussen de regels door, vaak vastzittend op kleine woordjes en verschuivingen in doodgewone taal gesteld, zit Boogs kracht, zoals in een regel als ‘Het feit dat beslissingen al genomen zijn/ voordat we ze nemen, zou gerust moeten stellen/ maar doet dat niet, zo is beschikt,//’.

In de derde afdeling ‘Woestijn’ vraagt de ik zich af wat het eigenlijk wil zeggen iemand die ik ken – zo ik al iemand zou kunnen kennen – een goede dag toe te wensen. Kan een dag zich daaraan houden? Het is een open vraag. Boog zet zodoende alles op losse schroeven: ‘Als toeval bestaat –[…]-/ bestaat alles.// Alles! En meer: ook wat niet bestaat,/ Dat bestaat ook//’. Een lege wereld zonder herinnering rijst er voor ons op. Opnieuw reikt hij hier over de grens van tijd en ruimte, voorbij ons begrip van de dingen. Naast vergeten van wat zich onder de oppervlakte van het zichtbare afspeelt, blijft bij de ik de verwondering bestaan over alles wat mooi is: ‘mooier nog met sneeuw//’.

In de vierde afdeling ‘Maar zingend’ bespringen de ik allerlei gedachten die telkens weer pogingen zijn het leven te ordenen: ‘We tellen en we noemen./ Omwille van ons/ groot en onontkoombaar falen.// Boem!//’. In het lange gedicht waarnaar de bundel is genoemd ‘Onooglijk maar zingend’, zingt een oudgeboren krekel. Daarin verwoordt Boog de metamorfose van de krekel tot dichter. ‘Onooglijk /maar zingend, een krekel zingt. Vanwege / de korte duur. Omwille van het vuur.//’ Of iets door iemand nu mooi gezegd is of niet, de ander is nodig er betekenis aan te verlenen. Een dichter heeft lezers nodig. Laten de krekels, de dichters maar blijven zingen, hoe onooglijk ook, hoe kort ook van duur.

In de vijfde afdeling ‘Naast iedere weg’ volgen we de ontwikkeling van het kind: ‘naast iedere wieg een fee./ […] / De fee zegt: “Nou ja, we zien wel./’. Onbegrepen wezentjes lichten ons bij. We voelen ons hier op aarde op ons gemak, ‘dat wil zeggen: [dat we] nergens heen […] kunnen.//’. Vervreemd van onze oorsprong, gemaakt van sterrenstof – [Antoine de Saint-Exépury: Le petit prince (1943)!] – schetst Boog ons een angstaanjagend perspectief voor het jonge leven: ‘Alles kan en zal,// tegen je gebruikt worden/’. In het kind dat zichzelf bewust wordt, ontwaakt gaandeweg de strijdlust: ‘Het lege slagveld dat het kind is/ zindert van verwachting.//’. […] ‘Zijn denken is van tasten en van wijken een vertroebeld mengsel./’ Dan komt het godsbeeld weer even naar voren: ‘Zo waar als ik God ben, zo zal ik branden.//’. Ligt er dan toch een veroordeling voor de mens (van zichzelf) in het verschiet? In het gevecht van het kind om geluk dreigt het geluk telkens het onderspit te delven, maar: ‘Het zal winnen, daaraan twijfelt het niet./’. Er blijft hoop.

In de zesde afdeling ‘Als je nu uitkleedt’ ontvouwt de ik zijn aarzelende liefdesbewegingen in het afstand nemen en de nabijheid zoeken van de ander: ‘Als je je nu uitkleedt komt alles goed./’ De weg naar de ander moet telkens hervonden worden. Al dat streven naar nabijheid ‘recht de tere nacht in’ roept de vraag op, wat het nu eigenlijk betekent als je de hand van de ander streelt. ‘Ontegenzeggelijk’ wandelt hij aan de kans voorbij de ander te naderen. De vraag rijst of er een hemel is te bereiken. Wat hij eigenlijk wil zeggen over de liefde, leidt bij hem uiteindelijk tot zwijgen. Wat dan overblijft is: ‘Ik wil je ooghoeken bewonen maar uit het zicht/ verdwijn ik niet, dat weiger ik. Niets/ zal ik voor je doen, ik wil alleen maar kijken.//’. Samen al kijkend opgaan in het moment is wat resteert.

De zevende afdeling ‘Avondvullende glassoorten’ begint met een kort gedicht ‘Portret’:

Ik houd mij staande.
Soms lukt het niet
en val ik om.
Maar dan sta ik weer op.

In kort bestek keert daarin het reeds bekende dilemma terug. Waar het bij mensen aan ontbreekt, is verzet. Te gauw wordt iets voor waarheid aangenomen. Zo’n spiegelgezicht als in het gedicht ‘Geen gezicht’ heeft surrealistische trekken [Margritte!]: boven zijn boord draagt een ieder ‘een spiegel, geen gezicht, kijk erin/ en huiver//’. Zo’n gezicht verdient het om in scherven geslagen te worden. Een oproep tot ‘totale bewegingloosheid./’. Momenten van zelfontkenning klinken in deze bundel als een basso continuo op. ‘Omdat ik niemand opbel/ besta ik niet.//’. […] Dat ik aan je denk betekent/ niet dat ik je denk.//’. ‘Denken aan’ betekent hier niet dat ik je met mijn denken laat bestaan. Wat dat dan wel is, blijft ongezegd. De vraag naar de ‘aanwezigheid’ blijft een onderliggende beklemmende notie in het gedicht ‘Betreffende aanwezigheid’:

Ik geloof niet
dat het niet bestaat
ik geloof
dat het onduidelijk is.

Als ballonnen aan de heldere hemelen der lente: niets,
onzichtbaar. Zwevend doorheen het gewone.

Het gebeurt maar zelden dat iets neerstort.

Het is, dat bewijst de aanwezigheid van dit balkon,
een mooie avond.

Wat is bestaan? De uit het zicht verdwijnende ballon? De aanwezigheid van een balkon? Wat moeten we aan met onszelf? De mens ziet met ‘haviksoog belang’. Waar heeft de wereld het aan verdiend dat wij mensen er zijn? Wij die de aarde vertrappen. Dichters in het zwart gekleed willen desondanks de aarde haar schoonheid laten zien:

Ze dragen spiegels, onderdrukken
soms de neiging om erin te kijken.

Tegen deze achtergrond is het dichterschap ‘een aan autisme verwante stoornis/ die goed te behandelen is, bijvoorbeeld/ door de dichter het dichten te verbieden.//’. Er is voor de dichter maar één vluchtroute uit deze wereld: ‘Sluit de ogen. Sluit toch de ogen.//’. Gelukkig heeft Boog dat tot heden nog niet gedaan. Hij heeft met deze nieuwe bundel in gangbare woorden zijn onbegrip over en moeite met het leven wederom aangrijpend verwoord: aan het bestaan valt niet te ontkomen. Blijft: ‘Het schitteren van de waarheid/ in de grote ogen van het kind./’.

***
Mark Boog (Utrecht, 1970) ontving voor zijn dichtbundels de C. Buddingh’-prijs, de VSB Poëzieprijs en een nominatie voor de J.C. Bloem-poëzieprijs. Ook verschenen er vijf romans, meest recent Het lot valt altijd op Jona (Cossee 2011).
Mark Boog maakte naar aanleiding van Maar zingend een voorstelling met de rockband Poetry In Motion: live poëzie en videoprojecties. Op Youtube zijn van dit optreden verschillende filmpjes te vinden, o.a. van ‘Je wervelt weg‘.
Lees in Meander meer over Mark Boog hier en zie verder www.markboog.nl en www..cossee.com

Geplaatst in Recensies.