Over vreemde plaatsen, vreemde talen en het boek van Mormon

Ellen van de Corput (Breda, 1988) is momenteel bezig aan een tweejarige, educatieve master Frans. Haar gedichten waren onder meer te horen op Onbederf’lijk Vers en Dichters in de Prinsentuin. Verder werden er eerder gedichten gepubliceerd in Meander, Nog een lente (van Meander), Op Ruwe Planken en Met Andere Zinnen. Ellen won een voorronde van WriteNow! in 2006 en in 2010 won zij Brabant Gedicht. Onlangs was Ellen de winnares van de Meander Poëziewedstrijd: Golven.

Ellen van de CorputJe hebt in Frankrijk en Engeland gestudeerd, verder komen er vaak ook andere landen en steden voor in je gedichten. Schrijf jij het liefst poëzie over (vreemde) plaatsen?
Sinds een jaar of twee speelt het een grotere rol in veel gedichten. Wanneer je reist of zelfs in een ander land woont, maak je simpelweg meer mee. Thuis moet je vooral die studie eens afmaken en willen familieleden dat je naar saaie verjaardagen komt. Weg van huis kun je thema’s als relaties, thuis, identiteit en ruimte beter onderzoeken. Juist omdat je er even afstand van neemt. Tevens word je steeds beïnvloed door de plaatsen die je bezoekt: nieuwe vriendschappen, ruimtes, leefgewoontes, architectuur, liefde. Het is niet zo dat ik de hele wereld rond ben geweest. Ik ga nog vaak terug naar Engeland, wat een weinig exotische bestemming is. Maar het is precies dat heen en weer gaan dat me bezighoudt. Het losmaken, ergens landen en weer teruggaan.

Heb je een sterk idee van wat poëzie moet zijn?
Dit is een lastige vraag. Ik heb niet een vastomlijnd idee over wat poëzie moet zijn. Het is makkelijker om van een gedicht of een hele bundel te zeggen: dit vind ik goed, dit vind ik niet goed, en om deze redenen. Je speelt met ritme, klanken, beelden en gelaagde betekenissen, in de hoop dat er iets uitkomt dat klopt en uitnodigt tot herlezen. Het is een manier om kleine en grote zaken te onderzoeken en vast te leggen. Wat ik mooi vind aan poëzie is dat het resultaat daarvan vaak minder dan dertig regels omvat en toch complex is.

Wie zijn je schrijfhelden en hoe hebben zij jou beïnvloed?
Mijn favoriete schrijvers zijn onder andere Virginia Woolf, Roland Barthes, Mark Boog, Menno Wigman en Sylvia Plath. Bij Barthes komt alles samen: prachtige taal, literatuur, filosofie, Frans, rouwverwerking. Er is een aantal Nederlandse dichters wier teksten me hebben geleerd hoe poëzie werkt. Hoe kan een goed gedicht in elkaar zitten? Zij en andere schrijvers zijn onderdeel van de bagage die je meesleept en waar je meer indirect door wordt beïnvloed. Ze vergroten meer in het algemeen je gevoel voor taal, voor beelden, details en thema’s.

Is er bij jou een zekere twijfel over alles aanwezig? En hoe uit die zich?
Het gedicht ‘Suiker’ komt voor uit mijn vriendschap met iemand die een compleet verhaal heeft waar ze in kan geloven. Ik blijf dat fascinerend vinden. Het is niet zo dat ik van mijn twijfel af wil. Mensen denken soms dat je overtuigd wilt worden wanneer je te veel vragen stelt. Het geloof interesseert me op dezelfde manier als literatuur en filosofie. Ik wil er kennis van nemen, het begrijpen. Mijn nieuwsgierigheid ging wel zo ver dat ik, net zestien, met haar op zomerkamp ben geweest. Terwijl de meeste jongens en meisjes dronken werden, stond ik middenin een weiland in de Ardennen te bidden en uit het boek van Mormon te lezen. Alles onderzoeken en de nutteloosheid van dat alles ervaren leek me nog nooit zo mooi. Ook in andere gedichten komt dit terug, onder andere in het steeds verdwalen, het reizen en het onderzoeken van (familie)relaties. En in de act van het schrijven zelf.

Je gebruikt veel de jij-vorm in gedichten. Heb je concreet personen in gedachten aan wie je die gedichten schrijft, of is de je een overkoepelend poëtisch personage?
In het begin verwees het vaak naar niemand in het bijzonder. De laatste paar jaar schrijf ik haast alleen nog over dingen die ik niet compleet heb verzonnen. Al hoeft het gedicht dat eruit komt niet de waarheid te zijn. De lezer moet het ook begrijpen zonder te weten over wie het eigenlijk gaat. Soms herkennen mensen zichzelf of anderen dus in een tekst, of halen ze – bij gebrek aan kennis van het Nederlands – een gedicht door de vertaalmachine wanneer het er verdacht uitziet.

Hoe vaak schrijf je?
Te weinig. In het najaar heb ik een cursus poëzie aan de Schrijversvakschool in Amsterdam gedaan. Er waren opdrachten en deadlines, waardoor je er wel tijd voor moest maken en moest produceren. Bij gebrek daaraan gaan studie en werk al snel voor. Ik vergeet er tijd voor te maken, tenzij er echt een zin, een beeld of een oud gedicht is waar ik mee aan de slag wil. Vaak is dat zo wanneer ik net weer thuis ben, maar je kunt moeilijk het hele jaar door maar een beetje op vakantie gaan. Misschien wordt het tijd om het schrijven ook meer als werk te zien. En gewoon af en toe iets minder lui te zijn.

Je houdt van vreemde talen. Wil je ook vertalen?
Tijdens mijn studie heb ik even gedacht literair vertalen te willen doen, maar uiteindelijk kun je niet alles in je programma proppen. Het was een halfjaar buitenland of toch nog die vertaalvakken. Ik kan me wel voorstellen dat ik me daar later in ga verdiepen. Het lijkt me wel verschrikkelijk lastig poëzie goed te vertalen.

Heb je plannen voor een bundel?
Er zijn geen concrete plannen, al is het wel iets waar ik nu naartoe wil werken. Er wordt op dit moment ook vooral herschreven. ‘Tate Britain’, het gedicht waarmee ik de Meanderwedstrijd won, is daar een voorbeeld van. Uiteindelijk hoop je toch ooit niet meer als aanstormend talent op het podium te staan, maar die laatste sprong te hebben gemaakt. Tot die tijd kom ik haast overal wel naartoe voor een paar consumptiebonnen.

Geplaatst in Interviews en getagd met .