Micha Hamel – Bewegend doel

Schieten op een bewegend doel

door Johan Reijmerink

De energie spat van de bladzijden. Verbaal vuurwerk flitst je voor de ogen. Recht op zijn doel af, in hoog tempo laat Micha Hamel zijn bundels verschijnen. Deze vierde bundel, Bewegend doel, heeft een aansprekende omslag, die lijkt te bewegen. De bundel straalt een en al dynamiek uit.
Als je de bundel opslaat, blijkt dat de dichter zijn uiterste best gedaan heeft je in opperste verbazing te brengen. Alles wat er aan lay-outvariaties, lettertypes, versvormen en typografische eigenzinnigheden ingezet kan worden, heeft hij zich toegeëigend, tot geschreven tekst aan toe. Een waaier aan tekstvormen en onderwerpen zet Hamel voor je neer: een enkele traditionele versvorm, readymades, lange prozagedichten in vrije versvorm, dialogen, sprookjesachtige teksten. Het oogt alles bij elkaar buitengewoon. Een Egyptische godin, ideeënarmoede en emotietelevisie vullen zijn dichterlijke universum.

In uiteenlopende rollen presenteert de ik zich aan zijn lezers. De vertrouwelijke gegevens uit de gedichten zijn voor hen bestemd. Hij kruipt met even zoveel gemak in de rol van een popster als in die van een schoonmaker of van een psychopaat. Die gehele maskerade levert hem inzicht in zichzelf op, maar veroorzaakt tegelijkertijd ook enige verwarring in en vervorming van zijn persoonlijkheid.
Wie ben ik eigenlijk? In wat voor wereld ben ik terecht gekomen? Op dat onbewoonde eiland met precies in het midden die kokosnootdragende palm, zoals Hamel in zijn eerste gedicht ‘Donkere materie’ aankondigt? Het blijft echter zoeken, zoals in een gedicht als ‘Dit misschien’: ‘luister ik denk ik denk enkel in ofs en/ of en/ ofs’. Niets ligt vast, alles blijft onzeker.
Deze onstuimige zoektocht draagt voor mij het karakter van een identiteitscrisis waaruit de vrees opklinkt zichzelf te verliezen:

Ik overpeins de gebeurtenissen
in het steunplot en concludeer:
ik wil en zoekmachine die mij zoekt.
En een vindmachine die mij onafgebroken vindt.

Al zijn escapades, rolverwisselingen en extravaganties komen over als een risicovol zoeken naar jezelf. De razende snelheid waarmee dat gebeurt, imponeert maar verontrust mij ook. Het lijkt erop dat hij een slachtoffer dreigt te zijn of te worden van zijn voortdenderende levensritme. Het is een soort vlucht naar voren. Kies de aanval, want verdedigen, je afzijdig houden, doet je buiten het spel dat we leven noemen, geraken en maakt je sowieso tot een depressieve verliezer. En dat nooit, Hamel wil meester blijven over de eigen gedachten en gevoelens van de ik. Dat is de dirigent in deze componist-dichter.

Eigenlijk gaat het in zijn poëzie steeds over ‘iets wat moeilijk te beschrijven is’. Uit de ballen klei komen ‘konijntjes’ en ‘prei’ tevoorschijn, en daarna komt de mens ineens op de proppen. In het gedicht ‘Klei’, klei van een ogenschijnlijk buitenaards universum, doet Hamel nog even zijn eigen scheppinkje over. Hij is voortdurend bezig werelden te creëren:

Op de mierzoete foto als bureaublad staat
ingesteld is een sprookjesachtig woud bewerkt
tot een orgie van bijkans fluorescerend dampend groen.

Dan volgt een reeks krankzinnige sequenties,die ‘enkel uit verbeelding/ bestaan/’ en daarin spreekt de heerser over de taal. Zijn associatief vermogen reikt ver: gebeurtenissen springen de werkelijkheid in en uit: alles wat de ik niet kan staat tegenover alles wat de ik wel kan.
Hilarisch, absurd, gekmakend, doldwaas, Hamels poëzie is geregeld over de top: van rammelende zwammen in hun fluwelen koningsbed van mos tot aan een kampeerder met een tandenborstel die de vlekken uit zijn onderbroek schrobt. Hij heeft dikwijls hinder van ‘afdwalende gedachten’. Zijn hoofd staat geregeld op springen van de associaties die zijn pen uit moeten gaan rollen. Dat kan overigens tot de troostende gedachte leiden dat een moeder die het echtelijke bed op haar balkon uitschudt, denkt aan haar zwoegende echtgenoot op kantoor die ze zou kunnen bereiken door de lucht te kussen die hem dan even later langs zijn wang aait. Maar communicatie blijft lastig: iedere conversatie is als een quiz. Ontwijkende antwoorden, referenties van gesprekspartners die niet overeenstemmen. Hamel bestrijkt in deze bundel een breed palet aan technieken, situaties en onderwerpen.

Elk gedicht kent zijn eigen gekte. Een puissant rijke popster roept de gedachte bij hem op, dat hij ook wel eens een gewoon mens zou kunnen zijn die zijn hoofd kan stoten tegen een lage deurpost. Maar tegelijkertijd stelt de ik zich voor dat hij het foeteren uitbesteedt aan een bediende. Het spannende tafereel van de vrouw met de paarse onderbroek dat uitloopt op een bezoek aan de keukenboer en het ritueel van het wc doekje dat zichzelf schoonboent, terwijl de gebruikster niet eens haar afgrijzen daarover laat blijken. Of daar is een verveeld idool die net wakker is geworden tussen zijn zijden lakens die zich even later uitleeft op de sociale media en daarop allerlei zotte berichten intikt. Denk vooral niet dat je ooit alleen hoeft te zijn, en toch ben je het wel.

Je blijft in deze bundel lezen en telkens sta je weer verbaasd over Hamels absurde wendingen. Is dit nu poëzie om vooral te lezen of voor te dragen? Ik kies voor de eerste optie. Het is poëzie waarbij je je niet snel zult vervelen. De gedichten lijken op zoekplaatjes die het volle leven in zich dragen. Het hangt er maar net van af welk plaatje voorstaat: de winterse en speelse Pieter Brueghel de Oude of de angstaanjagende en verontrustende Jeroen Bosch. Beelden met een slag aan lieflijkheid, vrolijkheid, wreedheid, maar bovenal absurde samenhangen. Zo gek als het leven maar kan zijn!

Dikwijls begint Hamel zijn gedichten met een statement, een veronderstelling, een tegenwerping, een open deur: ‘Alles blijft altijd hetzelfde./’; ‘mannen zijn wel gevoelsmensen/’; ‘Aan kleuren namen geven lijkt me/ meer iets voor de afdeling verkoop van een verffabriek.’; ‘Iedereen weet dat lelijke mensen ook gevoelens/ hebben zoals er ook in de allerknapste vrouwen/mensen zitten./’. En dan ligt daar in eens een doorstoken lijk op een strand. Een condor plukt uit de romp hompen vlees. Met zijn machtige wieken neemt hij de wijk naar omhoog. In de dialoog met ‘Mammoet en de ik’ raakt Hamel aan een besef van cultuurrelativisme en toont hij zijn mededogen met de bedreigde natuur en cultuur: we kunnen waspoeder vernieuwen maar het duimkruid is bijna verdwenen.

Alle beschaving is eigenwaan, m’n jongen. Toen vlijt op ieders
rapport verscheen gloorde er hoop. Maar nu de twintigste eeuw
in een geurige wolk van pijptabak vervlogen is, zien we dat er
nauwelijks duimkruid meer over is om het verschiet al was het
maar op de wijze van waspoeder te vernieuwen. Dus weg met
alle krullendraaierij, en weg met die hoofdstedelijke arrogantie.
Laat de genotmiddelen staan en gehoorzaam jouw roeping als
schoonmaker, volksheld, hoofdpersoon of psychopaat.

Hij vraagt zich af hoe hij uit die ‘oceaan van zinloze weetjes een waarheid/ naar boven [kan] takelen waarmee ik mijn dochter nog kan ompraten?//’ Een oproep om gewoon mens te zijn.
Hamel heeft veel, heel veel woorden nodig om orde te scheppen in zijn aanzwellende gedachtestroom: ‘Wat zeg je van gevoelens? Wat denk je van herinneringen/ die ieder behoorlijk innerlijk kapotkankeren? Die stuk voor/ stuk mij dwingen te spreken over het bewegend doel dat ik ben?//’ Deze terzine uit het gedicht ‘Nostalgie’ bevat de titel van de bundel, maar geeft tevens een kernthema van Hamels poëzie aan: een mens weet zich besprongen door gevoelens en herinneringen die hij soms moeilijk tot bedaren kan brengen. Wat de ik hindert, is hij zelf. Het alles zelf willen begrijpen staat de overgave aan wat er op je afkomt in de weg. Hij mist een innerlijke houding van gelatenheid. In die strijd tussen verstand en gevoel over wat de ik met zijn leven aanmoet, zijn er van die momenten van nostalgie naar wat geweest is of naar wat er niet heeft kunnen zijn of komen. Niets ligt vast, alles blijft in beweging. Ook al lijkt de ik middelpunt te zijn van zijn eigen universum, die kern beweegt eveneens, en bevindt zich te midden van een geheel dat hem weer voortbeweegt.

Nostalgie

Wat zeg je van gevoelens? Wat denk je van herinneringen
die ieder behoorlijk innerlijk kapotkankeren? Die stuk voor
stuk mij dwingen te spreken over het bewegend doel dat ik ben?

Het wachten is op de mandorla die als een vagina de aarde baart.

Maar mijn geschiedenis is geboren uit een voorval dat onbeduidend en
aanvankelijk barmhartig was. En wie spoort mij helemaal aan om het tot
mythische gebeurtenis te promoveren? Ik, die bloedserieus mijn uren tel?

Het wachten is op de mandorla die als een vagina de aarde baart.

Mijn jeugd: au! Het leven: au! Waar zijn alle daden die ik heb vermorst? En
jij dan, met jouw verslaving aan jouw levensverhaal; waar hang je uit, nu ik
jou vervloek? Maffe vragen. Domme vragen. Malle vragen. Kromme vragen.

Het wachten is op de mandorla die als een vagina de aarde baart.

Want weet je waar ik ben blijven steken: weet je nog, op de scheikundeles? Men
giet een druppel in een rondkolf, voegt er een snufje uit een potje aan toe en hoera:
het begint te borrelen. De boel loopt over en besmeurt je zelfgekafte boek. (NEE!)

Je krijgt nooit meer terug wat je had, en als houvast resten de formules op het bord.

Dus waarom houd ik mezelf nog voor het lapje? Waarom geloof ik nog dat er iets
te zeggen valt? Luister, kind, inmiddels vernam ik dat jij niets hebt ondernomen
om de hele mikmak hartgrondig te vergeten. En ik weet ook dat jij dit weet!!!

Het wachten is op de schicht die een doodklap is, de flits die het leven blijkbaar was.

In dit gedicht keert de bezwerende regel: ‘Het wachten is op de mandorla die als een vagina de aarde baart.//’ enkele keren terug. De amandelvormige afbeelding met een heilige figuur centraal in de vorm van een vagina. In dat beeld verenigt het heilige zich met het aardse. Op die hernieuwde heiliging van de aardse schepping lijkt het wachten te zijn. Even een moment van stilstand, een nieuw begin. De ik constateert niet alleen dat het leven in een flits voorbijgaat, maar tevens leeft bij hem het besef dat je het niet kunt terughalen. Vergankelijkheid alom, maar waarom in vredesnaam?! Het gedicht heeft niet voor niets de titel ‘Nostalgie’, een woord dat voor het eerst opduikt in de 17e eeuw, wanneer er sprake van ziekmakende heimwee bij de Zwitserse gardesoldaten van de Paus.
De ik uit dit gedicht biedt in vogelvlucht een beeld van het leven met al zijn raadselachtigheden en onbegrepenheden. Wat valt er nog over te zeggen? Dat blijft voor Hamel de grote vraag: waarom ben ik hier eigenlijk? Waarom ben ik die ik ben? ‘Liever was ik een/ grondvorm geweest, een schimmige middenmoter of een libertijnse/ bovenbuur, maar nee: ik ben slechts de figuur wiens ijsberende/ schaduw te zien is aan de straatzijde van ons in liefde gekochte/ appartement./’. Hij blijft schieten op een bewegend doel: ‘Vervuld van wezenlijke verwachtingen gaat/ hij op pad om zijn bestaan op te werken/ tot een vertelling met een afgezaagd einde.// Maar wie is hij?//’.

De dingen liggen niet vast: je doel bereiken, jezelf leren kennen, de ander verstaan, het leven begrijpen en met je gevoelens leren omgaan. Die rijdende trein die leven heet, dendert maar voort. Voor je het weet, ben je op de plaats van bestemming aangekomen: ‘Maar dan, midden in wat boeren noemen het oogstseizoen, valt het stil// blijft het// leeg// op het speelveld van het vers// aangemaakte document.//’. Hij lijkt voor even rust te vinden in het dichterschap. In zijn slotgedicht vraagt hij zich bezorgd af, hoe zijn zonen na zijn overlijden om zullen gaan ‘met de man die ik voorgaf te zijn./’. Toch weer dat verlangen naar identiteit! Vooralsnog heeft Hamel zijn bundel voldoende authenticiteit mee kunnen geven. Daarin is hij geslaagd. De bundel klinkt als een energiek symfonieorkest in volle bezetting, maar laat op diverse plaatsen melancholieke grondtonen horen.

Bewegend doel is een volle bundel met voor elk poëzieliefhebber wat wils. De lezer wordt wel verzocht onverwijld deze recensie weg te klikken en naar de boekhandel te gaan om deze bundel te kopen.

***
Micha Hamel (1970) is componist, dichter en dirigent. Hij componeerde orkestwerken, liederen, en kamermuziek voor de concertzaal en muziek voor dans en theater. Zijn tragische operette Snow White (2008) was een landelijk succes. In 2012 was hij componist in focus op het Holland Festival, voor welke gelegenheid hij twee omvangrijke muziektheatervoorstellingen maakte: Requiem en De Rode Kimono. Sinds 2010 is hij aangesteld als lector Muziektheater aan Hogeschool Codarts, Rotterdam, waar hij onderzoek verricht naar het ontwikkelen van nieuwe vormen van artistiek muziektheater.
Hamel debuteerde in 2004 met Alle enen opgeteld dat bekroond werd met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, en publiceerde vervolgens Luchtwortels  en Nu je het vraagt.

Geplaatst in Recensies.