Philippe Cailliau – Het boek nul

De vloeibaarste der angsten

door Joop Leibbrand

Volgens de uitgeversinformatie zou in Het boek nul het taal-experimentele en hermetische karakter van het eerdere werk van de Vlaamse dichter Philippe Cailliau plaats gemaakt hebben voor een meer contemplatieve zegging. Ik neem dat maar voor kennisgeving aan, want zijn eerdere bundels zijn me alle acht ontgaan. Feit is dat het merendeel van de dertig gedichten in deze bundel niet alleen heel persoonlijk, maar ook toegankelijk zijn. Dat moet dan weer niet verward worden met ‘makkelijk’, want veel van Cailliau’s gedichten moeten wel degelijk veroverd worden en daarmee is het een bundel die je bezig blijft houden.

Op het achterplat van deze mooi uitgegeven bundel kijkt de auteur ons vanuit het binnenraam van een dubbele cirkel glimlachend, bijna guitig aan.
Een levenslustig man, denk je, een genieter. Dat zou best óók waar kunnen zijn, maar in de bundel staat die cirkel voor ‘nul’, het perspectief dat hij lang van het leven dacht te mogen verwachten.
In ‘Ze heeft hem in de houdgreep’ herken je de nul in de letter O:

[…] O: omdat hij niets
meer kan verliezen, vecht hij, toch niet
wetend waar het einde is. En of hij winnen kan?
Begint het einde dan? Ja zeker. Dat begint.

Cailliau maakt er geen geheim van dat hij lange periodes van ziekte en lichamelijke ellende achter de rug (?) heeft waarin hij op sterven na dood was. Er is sprake van slepende ziektes, ‘huidaverij’, een ruggenwervelscheur, longziekte c.q. longoedeem en iets dat ‘misschien wel bloedarmoede’ is, ‘of net wel niet’; er wordt ook een ‘ziek’ gesprek gevoerd, en een anesthesist ‘kijkt toe, tast toe/ en gokt een dosis lijden bij elkaar.’

Een hele toer om daar poëzie van te maken, zou je zeggen, maar Cailliau schrijft op zijn manier verder aan De feesten angst en pijn (Van Ostaijen), en dat doet hij in een heel eigen ‘handschrift’: intelligent, gedreven en ondanks de ernst van de situatie nergens larmoyant. Bovendien zorgt hij voor voldoende ‘lucht’ in de bundel met enkele knappe reisgedichten en gedichten waarin soms speels, soms ernstig de taal centraal staat, met name de onzekerheid over wat taal – en de hanteerder van de taal – vermag, want daaruit ontstaan immers verhalen: ‘Vanuit het aangereikte woord:/ daar groeit, meedogenloos,/ het goed doorvoede bindweefsel/ van de taal.’ (‘Als de leden zwaar worden’).

Maar angst en pijn domineren: ‘Heer Angst wordt beschuldigd van wanbeheer.’, heet het in ‘Wanbeheer en opbod’, en in ‘Terreur van elke dag’ is pijn de dagelijkse bondgenoot, ‘de vloeibaarste der angsten’. Vandaar: ‘Het leven staat aan stervenskant.’ (‘Woordenboekallooi’).
In ‘Tao: de Stroom’ is het ‘de lemniscaat van pijn/ die al zijn dagen stuwt. […] het blote lemmet/ dat voortdurend dieper snijdt/ in de herinnering.’

In ‘Nul tot tien’ klassificeert hij zijn pijn:

Nul tot tien

Schreeuwen is geen thermometermaat
voor pijn. Krijsen evenmin. In stilte ademen
zegt niets over het gewicht van wat nu acht
en straks maar zes is en dan nadien weer
negen op de lat van tien tot nul.

Hij slaapwandelt of vliegt driftig
op een piloot die automatisch duikt met
klanken als lichte vogels in verticale vlucht:
geslepen lichtkokers van kristal dat door
het leven snijdt. Sirenes scheuren mensenvlees.
De Stuka fluit en raspt tot alle rust verbruikt is en
snerpt zijn Jerichotrompet tot ademloze angst
en pijn, en trekt dan op en overleeft misschien
een laatste keer. Hij weet: dit is het niet.

Het lijf is een stad. De muren zijn met zorg
gemetseld, maar storten in. Zonder genade.
Stadspoorten met koudvuur schrikken op.

[…]

Het boek nul kregen de gedichten dus als titel mee. Ik wil er graag in lezen dat Cailliau door het schrijven ervan van alle angst en pijn verlost werd.
In het openingsgedicht van de bundel, ‘Identificatie’, was er nog sprake van een ‘hij’ die slechts een ‘levensdossier’ zal nalaten dat ‘vaag’ en ‘flinterdun’ is.
Cailliau mag deze bescheidenheidspose afleggen. Met deze bundel bewijst hij zich als dichter.

***
Philippe Cailliau werd in 1954 in Congo Elisabethstad, het huidige Lubumbashi, geboren. Hij studeer­de Nederlandse letterkunde en literatuurwetenschap in Brussel en werkte jarenlang in het onderwijs. Hij was redacteur en/of medewerker aan literaire tijdschriften als Kreatief en Randschrift, leverde bijdragen aan het Kritisch Lexicon van de Moderne Nederlandstalige Literatuur, schreef een monografie over Jef Geeraerts en schoolboeken over Hugo Claus.
In 1976 debuteerde hij als dichter met De moordenaar en zijn vroedvrouw. Het boek nul is zijn negen­de bundel; de vorige, Zwijgboek, verscheen in 2007. Gedichten van hem verschenen o.a. in Maatstaf, Nieuw Vlaams Tijdschrift, De Vlaamse Gids, Yang en Poëziekrant.
Kleinood & Grootzeer, de te Bergen op Zoom gevestigde eenmansuitgeverij van Gerrit Westerveld, realiseert slechts enige publicaties per jaar: goed vormgegeven bundels in een kleine oplage. Bestellingen via de site.

 

Geplaatst in Recensies.