Dirk Kroon – Dagelijks despoot, de jaren van een babyboomer

‘het klonk: de ouderdom, de ouderdom’

Joop Leibbrand

Dirk Kroon (*1946) heeft een flink oeuvre op zijn naam staan. Achterin de nieuwe bundel worden 44 titels vermeld en dat is nog maar een selectie. Veel bloemlezingen en compilatiewerk (Slauerhoff, Nijhoff, Leopold, Van Vriesland, Bordewijk, Vasalis en Minco), maar ook achttien eigen dichtbundels. De eerste, Materiaal voor morgen, verscheen in 1968, de voorlaatste, Bijna oud, gedichten van een babyboomer, in 2011. De nieuwste, Dagelijks despoot, de jaren van een babyboomer, sluit hier blijkens de titel nadrukkelijk op aan en een aantekening achterin – ‘[…] geschreven tussen maart 2011 en februari 2013, sluit thematisch aan bij […]’- bevestigt dat nog eens.
Het is mijn eerste kennismaking met de poëzie van Kroon, die domweg nooit eerder op mijn pad kwam. In de Meanderkolommen was er eerder al wel aandacht voor Bijna oud, waarover recensent Kees Godefrooij zich enthousiast toonde. Citaten uit zijn bespreking staan op het achterplat van de bundel.

Jezelf presenteren als babyboomer kan inhouden dat je weliswaar beseft dat je op leeftijd begint te komen, maar dat je je nog altijd jong en energiek voelt, misschien nog altijd denkt dat het leven nog moet beginnen. Maar ook het omgekeerde kan gelden: je bent heus nog niet zo heel oud, dat weet je best, maar het voelt toch – en wat werkt dat verlammend – alsof je leven al bijna voorbij is. Het lijkt er veel op dat voor Kroon het laatste geldt, want nogal wat gedichten cirkelen rond het thema dat het motto van de bundel al aanduidt: Vieillir, c’est mourir un peu.
Kroon had ook kunnen kiezen voor dit bekende kwatrijn van Leopold: De tijd maakt vaal, onoogelijk en krom/ en breekt er alle kracht en brengt ze om;/ ik riep: is er iets triesters dan de dood?/ het klonk: de ouderdom, de ouderdom. (Oostersch II).

Al is er juist over ouderdom en dood zeer vitale poëzie te schrijven, Kroons gedichten maken regelmatig een wat krachteloze, haast uitgebluste indruk. Een paar voorbeelden:

– ‘Er is hem langzaamaan/ zoveel ontnomen,/ dat hij niet meer hecht/ aan wat hij ooit bezat.’ (uit: ‘Man op leeftijd’).
– ‘Wat weet je nog van alle boeken/ die je gretig hebt gelezen?// Er gingen vele levens door je heen,/ […]/ ze zijn niet meer gebleven.’ (uit: ‘Achtergrond’).
– ‘In dit schrale leven denk ik/ te vaak aan de dood.’ (uit: ‘Hulpvraag’).
– ‘In de dichtgeslibde grachten/ van het geheugen verzonken,/ draag je alles wat verdween/ nog dagelijks met je mee.’ (uit: ‘Symbiose’).
– ‘Je droomt alweer een droom/ waarin je ouders er niet zijn,/ hoe aanwezig zij ook waren.// […]// Nu je het niet meer goed kunt/ maken doordat zij zijn gestorven,/ leef je voortaan dit lege leven.’ (uit: ‘Absentie’).
– ‘Leeftijd die beperkingen oplegt,/ een herfst waarmee je hoe ook/ en voorgoed genoegen moet nemen.’ (uit: ‘Terugblik’).
– ‘Nog even en er treedt/ een ongekende stilte in.’ (uit: ‘Afstand’).
– ‘Nu het duister dreigt,/ schuw je de avondval en/ tracht je te verdwijnen/ in de grijze schemering.’ (uit: Levensdag’).
– ‘Aan ons dagelijks bestaan/ is alle vaart ontnomen,/ wij tellen de voorbije dagen,/ denken aan ons leven van voorheen.’ (uit: ‘La vita nova’).

Het is nog lang niet alles.
In ‘Identiteit’ schrijft Kroon: ‘Kijk jij nou eens,/ ik kan het niet beoordelen,/ ben ik nu oud en moe?’
Te vrezen valt dat het antwoord ‘ja’ moet zijn.

De beschreven ik, jij en hij zijn zeker niet één op één aan Kroon gelijk te stellen, maar het totaalbeeld valt ongetwijfeld met dat van de dichter samen en dan doet het er niet toe of hij in ‘Sociaal verkeer’ zelf die treinreiziger was, of dat hij zich vereenzelvigt met een literair personage:

Sociaal verkeer

Je zwartste dag in jaren.
Je reist per overvolle trein
waarin een mooie vrouw
gracieus heeft plaatsgenomen.
Je gaat voorzichtig bij haar staan,
begint je goed te voelen en ziet
met een glimlacht op haar neer –
waarop zij hoffelijk aanbiedt:
Neemt u toch plaats, meneer.

Het is weinig origineel.
De ouderdomsgedichten worden omlijst door gedichten waarin hij zijn liefde belijdt voor de vrouw met wie hij samen is, waarschijnlijk degene aan wie de bundel is opgedragen: ‘Aan Annie – als vanouds’. Op blz. 53 wordt zij voorgesteld:

Ontvankelijkheid

Je bent nog steeds de vrouw
die stralend op mij afkwam –
een lichaam vol leven,
een toekomst tegoed.

Terugziend is alles goed geweest,
het meeste is in liefde opgegaan,
jij was nooit anders dan de weldaad
van mijn afhankelijk bestaan.

‘Om niet in de leegte/ van de dag te vallen/ vul ik jou in als/ grond onder de voeten.’, schrijft hij in ‘Een vorm van bestaan’, waarin hij aan het eind concludeert samen ‘een wereld vol verschil’ te maken.
Dat laatste is mooi gezegd, maar verder werd ik nergens in de bundel door een opvallende formulering getroffen. Kroon hanteert een wat stijve, nogal saaie parlandotoon. Hij verrast niet, daagt niet uit, ook waar er sprake zou kunnen zijn van iets conflicterends blijft het saai. Er is weinig echte diepgang – de levensfilosofietjes zijn nogal obligaat – en aan de taal valt zoals gezegd weinig te beleven.

Positief is dan weer wel dat er nergens sprake is van effectbejag. Dagelijks despoot is wel een oprechte, integere bundel. Maar voor belangrijke poëzie, voor gedichten die beklijven, is meer nodig. Eerst maar eens afstand nemen van dat fnuikende babyboomerschap…

 

Geplaatst in Recensies.