Louis Esterhuizen – Amper elders

Amper elders dan thuis geweest

door Levity Peters

De dichtbundel Amper elders van Louis Esterhuizen draagt als ondertitel “‘n Reisjoernaal”. Hij bezocht Engeland, Vlaanderen, Nederland en Tsjechië. Het titelgedicht van Esterhuizens bundel begint zo:

Amper elders is die naam van Piet en Annie se gastenhuis
in Antwerpen. En nog meer. Amper elders
is ‘n vryhawe in Lange Lozanastraat ses-en-sewentig.

Voor het geval er in Zuid Afrika iemand van plan is om naar Antwerpen af te reizen. Ik kan er moeilijk iets anders in zien dan een vorm van reclame, al vervolgt de dichter:

En nog meer. Amper elders is ‘n tafel
waar mense aansit saans en bakkie kos aangee
na mekaar. En nog meer. Amper elders is ‘n bêreplek
waar die tijd opgevouwe word
in kaste sonder deure. Waar ‘n houttrap jou –
(enz. )

Om veertien regels verder zo te eindigen:

Want Amper elders is ‘n idee
in Lange Lozanastraat ses-en-sewentig.
En ja, selfs meer.

Die begin van ‘n gedig.

Ik vind dat ‘En ja, selfs meer.’ een erg goedkope manier om dit schrijfsel op poëzie te laten lijken. En nog meer: het is ook niet waar, want volstrekt overbodig; het voegt niets toe aan de beschrijving van de ruimten en wat daar plaatsvindt. En wat te denken van de herhaling aan het slot van het adres? Herhaling is de kracht van de reclame?
Ik had van het ‘Reisjoernaal’ meer verwacht. Louis Esterhuizen lijkt vooral het hem bekende te zoeken. In Amsterdam bezoeken we het Rijksmuseum:

‘n Reis sonder skilderije is ‘n reis.
Sonder hoop.

Het staat er echt. Het viel mij nog mee dat de Nachtwacht niet beschreven werd. Wel andere schilderijen: van Breughel, Jan Steen, Rubens, Vermeer. Vermoeiend.
Ik las straatnamen, die mij al even weinig zeggen als willekeurig welke Zuid-Afrikaan die nooit in Amsterdam was. We worden geconfronteerd met zijn bekenden, in Antwerpen met zijn vriend Peter Holvoet-Hanssen ‘die zijn prysvers lees tydens die opening van ‘n nuwe gebou vir die Vlaams Fonds voor de letteren’ – en dit twee nachten na de zelfgekozen dood van Hugo Claus. Na afloop van de lezing, onderweg naar de kroeg, wijst Peter het huis aan waar Herman de Coninck gewoond heeft. Wel, wel. Zijn grootste avontuur in de stad?

Tot lof van oordaad
om antwerpen te verken moet jy
kaartloos deur enige van vele
afdraai uit stegies en gange verdwaal:

die binnehof van onverwags moet jy
vind – ‘n houtbank tussen plante,
of ouderwetse kraan gemonteerd in klip –

later ietwat Middeleeuws
‘n wyle vertoef

in ‘n kelder vir frietjes
en bier: krij sommer oliebolle
en krokette
op die koop toe en wonder

agterna: wat de hel
het my besiel – die pad terug
is moeisaam en erg
ongelyk

We blijven nog even in Vlaanderen, waar hij volgens het onderschrift “‘n Variasie van dié lied is op p.87 in Geert Mak se boek ‘In Europe – Travels through the Twentieth Century’ (Vintage Books, 2008)” een soldatenlied schrijft ‘Die reël is oorgeneem uit ‘n negende– eeuwse Chinese gedig soos aangehaal deur Eddy van Vliet in sy boek Pleidooi vir die poësie (Vertaal deur Heilna du Plooy en uitgegee deur Protea Boekhuis, 1999). Het is of de precisie waarmee hij dit verantwoordt, een waarborg moet zijn voor de waarde van het gedicht.
Vlaanderen is getekend door de Eerste Wereldoorlog. Hitler vocht daar. In ‘Der Kindermort bei Ypern. Beskryf door Adolf Hitler, in Mein Kampf’ wordt hij de ‘kortsnorkorporaal’ genoemd, wiens naam op de gedenkplaat bij Langemarck- oord tussen

Hirsch, Erich von
en
Hoch, Bruno/
ontbreek.

Met ‘Tsjeggië’ schrijft hij wat ik een van de beste gedichten van de bundel vind:

portretstudie van ‘n brandende man

Jan Palach (11.08.48 – 16.1.69)

bloedweinig donkerte word glo benodig
om ‘n volmaakte wit vlak op te skort:
harde stemme, glas wat breek, geweervuur –

eekhoringstiltes om ‘n ligter kleur te plaas
oor die dowwe omrandings van skrik:
die illusie van diepte wanneer ratse soldate

hul deur strate haas om deure oop te skop
en die donker se wandaad bloot te lê
die lig wat sag reflecteer

op al die geweerlope en tenks
in die agtergrond: die tydsame kwaswerk
van ‘n kastige lente

wanneer die nag stadig inmekaarsak
bij al die poorte van die stad.

Wellicht doordat hij zijn verbeelding hier aan het werk moest zetten, ontstond er iets waarin de taal belangrijker werd dan in de andere gedichten, zodat het meer werd dan een kale beschrijving van het waargenomene, dat hij doorgaans een intensiteit probeerde te geven die hij niet heeft ervaren en dus ook niet over kan brengen. Het pijnlijkst werd mij dat duidelijk in:

besoek aan die nasionale kunsgalery

dan is daar ook nog rodin se ánder
meesterwerk: iris, die beeld van ‘n vrou
hoog op teen ‘n pilaar gemonteer

wat sonder kop en linkerarm haar been
met de enigste arm wyer oop forseer:
haar vlesige skaamte ten volle ontbloot

vir die volgehouwe verkragting
deur hoër gode

Wat mij aan dit gedichtje het meeste stoort, is de geforceerde verheviging van totaal niet opgeroepen emoties. Deze sculptuur die een ode aan de vreugde is, een loflied op de vrouwelijkheid, laat de vrouw zien als de verpersoonlijking van de begeerte; zonder hoofd en met slecht de arm waarmee zij één been spreidt. Iedereen die het beeld ziet, kijkt automatisch naar de vulva die vrijmoedig wordt getoond. Je krijgt het gevoel erbij: met een glimlach. Iris wist wat zij teweeg bracht, bij de beeldhouwer in de eerste plaats. En hij wist wat hij bij de beschouwer teweeg wilde brengen. Hun plezier straalt ervan af.

***
Over Louis Esterhuizen (1955) meldt de uitgever: ‘Het nege digbundels gepubliseer. Ontvang in 2011 die Proteaprys vir die bundel Wat die water onthou. Bestuurder van die Protea Boekwinkel op Stellenbosch en organiseer die jaarlikse Versindaba-poësiefees op Stellenbosch. Sy besondere kennis van boeke en die boekbekendstellingsgeleenthede wat hy in die Protea Boekwinkel op die dorp aanbied, maak hom ‘n bekende en geliefde figuur onder lesers in die omgewing. Hy is getroud met die skryfster Marlise Joubert.’

Voor Meander had Sander de Vaan in 2009 een interview met Louis Esterhuizen.

Geplaatst in Recensies.