Tom Van de Voorde – Liefde en aarde

In de traangasfabriek gegoochelde woorden

door Levity Peters

De dichtbundel Liefde en aarde van Tom Van de Voorde bevat twee soorten poëzie. Ik zal van beide soorten voorbeelden geven. Eerst twee gedichtjes uit de cyclus ‘De moord op Maurice Lippens’ als voorbeeld van de manier waarop de dichter iets uit de werkelijkheid op een gedicht plakt. De ex- topman van Fortis, beschuldigd van wanbeleid en misleiding, leeft nog steeds. En noch de ‘moord’, noch de man zelf komt in de cyclus voor.

Cecilia smeekt me te mogen afzuigen: Ik slik
laat je kwijl langs mijn kin druipen. Verneder me,
stamp je dikke, stijve lul in mijn keel.
Vooraleer ik kan terugmailen
laat mijn assistente haar weten
dat ik vanaf volgende week weer thuis ben.
Op maandag
kijk ik naar mijn lievelingsprogramma
als ik in slaap val
kijk ik naar de herhaling op zondag.
Wie wakker wordt krijgt ander nieuws
dan wie wakker was.

Van het andere type gedichten een aantal regels uit het titelgedicht:

Liefde en aarde zitten samen in de traangasfabriek. Ze poetsen hun
werktuigen en eten snoepgoed in de personeelskamer; in de refter
vindt die dag een lezing plaats: Tuinieren in de tropen of hoe Shakespeare
inspiratie vond bij de indianen.
O, kleur van de aarde, wat is het beste? vraagt liefde.
Het lidwoord, zegt aarde, bejegent zijn vijanden, maar kan nooit
afdwingend zijn. Of beter: poëzie die misbruikt wordt, kinderpoëzie, over
heropvoeden bij de Perzen, een wees zijn vergelding.

De verschillen zijn opvallend. Waar de eerste vorm voor de doorsnee vmbo’er moeiteloos te volgen is, lijkt de andere vorm slechts geschikt voor de hoger opgeleiden.
In het gedicht ‘Liefde en aarde’ roept de ‘poëzie die misbruikt wordt’, gevolgd door het woord ‘kinderpoëzie’, de associatie op met kindermisbruik. Dat lidwoord zegt in deze ook wel wat.
Het vervolg maakt het mij evenwel niet duidelijker:

Dit allemaal in kwatrijnen verwoord: een gedicht over het bewaken van
tempels; een gedicht dat de onafhankelijkheid voorspelt. In een bloem,
uit het hoofd, van een kind uit de duizend.

We zijn dan iets over de helft. Aan het einde van het gedicht heeft mijn onbegrip gewonnen. Omdat ik toch wel graag begrijp wat ik lees ging ik op zoek naar een redelijk gedicht. Ik vond:

Het ontstaan van een eiland

Voor ik het busstation verliet
en lang naar links keek, bedenk ik
in mijn herinnering, was er niet zoveel dat
ik had kunnen vasthouden, laat staan meenemen.
De namen van rivieren, van dode straten,
jouw handen, wat ik hun zei noch gaf
toen je blik verdween en de mijne viel
op het patroon van vloertegels, niet opgewassen
tegen de slepende gang van jarenlang vertrek.

Ik maakte bijna een luchtsprongetje. Hier las ik een gedicht dat niet volstrekt onbegrijpelijk is, maar ook niet zo simpel dat je jezelf afvraagt waarom de dichter deze notitie of dat grapje heeft opgenomen in zijn bundel.
En ik vond meer van zulke gedichten:

Triptiek van het vertrek

Dat het in stappen gebeurt, was te voorzien.
Maar een zeldzame bruikleen,
niet vijandig jegens een traject over zee,
leerde me pas echt tekenen.
De vorm van een driehoek, om mijn vriendschap
met bergen te camoufleren;
allusies op koningsdrama’s, evenzeer verboden;
de doorkijk van een rouwomslag,
als een raam met kleuraanwijzingen. Chinees wit,
Turks violet, Egyptisch geel, Perzisch bruin.
Een vallende kaars deed contouren vervagen,
pessimisme verdween in vreemde uitdrukkingen.
Toen gebeurde alles met touwen.

Al zou alles met fietskettingen gebeuren; mij een worst. In dit gedicht krijg je nog een beetje het gevoel bij je verstand te mogen blijven. Die driehoek, om des dichters vriendschap met de bergen te camoufleren, vond ik wel mooi, al heb ik geen idee waarom je dat, volledig bij je verstand zijnde, zou doen.

Cosmetica

Toen ik je hals wou versieren, bleek
er een gans aan te hangen. Overkop.

Haar lange nek gehaakt aan de jouwe,
je borstkas een waaier van veren.

Waar bleef de zwaartekracht van dit
alles, dacht ik nog, niet

wetende dat je eigenlijk aan de grond stond
genageld, noch mijn gedachte omarmde

dat vliegkunst een ogenblik is
dat zijdelings wordt aangeleerd.

Er vinden in de zinnen kleine transformaties plaats, die de betekenis telkens verleggen. Woordspel dus, hier en daar geraffineerd, waar je, als je daar gevoelig voor bent plezier aan kunt beleven. Meer moet je er, vermoed ik, niet achter zoeken. Maar deze poëzie heeft iets anders, wat, wanneer je daar gevoelig voor bent, kan maken dat je sommige gedichten, toch keer op keer wilt lezen: klank, ritme; muziek.

Vragen aan Shiva

hoe zinvol het is een vat
vol zeewier en golfslag te vangen,

gesluierd met sterren in
agrarische vlakte te rollen.

Breng me een gehavende fontein,
een touw aan een handvol paarden,

de zon op een veld vol tegels
in goudkleurig zand gelegd. Welke

richting geeft olie aan een vaas
eer een bloem haar kleur

verzint, een dam zijn vrijheid wint.
Al die oplichtende vrienden, schuilend

tussen zo veel netten. Tel ze en bereken.
Vraag of ze zelf haar naam mocht kiezen,

wat het dan was: een paar uitgesneden stenen,
een dak, geschaard tegen vergissingen,

als rijzende vlakte, geografisch naïef.
Misschien was het wel genoeg Ahmadi,

de geschiedenis van je land te borduren
met edelmetalen, necrologieën

als schelpen naast elkaar te leggen,
er ledematen bij te verzinnen.

Mijn postbode vraagt me wat
koninklijk betekent in het Hebreeuws

Als ik haar de voor- en nadelen van
het lijfeigenschap wil opsommen

fietst ze de heuvel af en roept
de laatste woorden van Hadrianus

ze blijken niet in de Brittannica te staan
bij onze volgende ontmoeting

wijst ze naar een hoop stenen die
allang op een toren wachten.

Hardop lezen, een aantal malen, dan ontsluiert zich wellicht iets dat niet in woorden is te vangen.

***
Tom Van de Voorde (1974) publiceerde in 2008 de dichtbundel Vliesgevels filter (nominatie C. Buddingh’-prijs 2009). Hij vertaalde werk van de Amerikaanse dichters Wallace Stevens en Michael Palmer en werkt als programmator literatuur bij Bozar in Brussel.

Geplaatst in Recensies.