Maarten van der Graaff – Vluchtautogedichten

De bader draagt zijn kleren

door Joris Lenstra

Er is een archaïsche poëzie die tegenwoordig nog steeds uitgegeven wordt. Zij is te typeren als een versmelting van de literair-historische stromingen het Modernisme en het Postmodernisme. Deze poëzie is opzettelijk verwarrend geschreven. Ze is niet bedoeld om een boodschap over te brengen, zoals je wel van een tekst zou verwachten. In plaats daarvan wordt de lezer opzettelijk in verwarring gebracht.
Het gevolg hiervan is dat de tekst op een andere wijze gelezen moet worden. Zo’n tekst moet eerder associatief dan logisch benaderd worden. De dichter pretendeert niets meer te willen dan suggereren, zijn tekst draagt geen eenduidige, logische boodschap. De lezer moet zelf maar weten wat hij of zij uit diens gedicht zal halen. Iedere poging om zo’n gedicht te interpreteren is niets anders dan een interpretatie. De ‘poëzie’ van zulke poëzie schuilt in de suggestieve kracht van de taal. Over zo’n gedicht kan dan ook geschreven worden dat zij ‘zwanger is van betekenis’, dat wil zeggen dat er verschillende spannende interpretaties mogelijk zijn. Deze interpretaties worden door literatuurwetenschappers geanalyseerd en verwoord.

Vanuit stilistisch oogpunt gezien verschillen zulke gedichten niet veel van het gedicht The Waste Land (1922) van T.S. Elliot of de roman Ulysses (eveneens uit 1922) van James Joyce. Vaak is er enkel op het gebied van de beeldspraak een verschil. De modernere teksten gebruiken hedendaagse beelden en willen nog meer shockeren, bijvoorbeeld door het gebruik van seksuele en gewelddadige beelden.
Vanuit ideologische oogpunt herhalen ze de boodschap van de Postmodernisten die stelden dat alle grote verhalen om de werkelijkheid te beschrijven hadden afgedaan. Waarom zouden we elkaar nog voor de gek houden met het vertellen van een eenduidig verhaal als de werkelijkheid geen kenbaar eenduidig verhaal heeft? En wat doet de literatuur anders dan de werkelijkheid beschrijven?

De oude Grieken daarentegen hadden met hun mythen nog een verhaal dat voor hen de samenhang van de werkelijkheid verklaarde. En voor de Christenen is dat hun Bijbel. Het feit dat de werkelijkheid en het verhaal van de Bijbel niet overeenkomen, zorgt voor grote problemen en daardoor voor creatieve oplossingen, zoals het creationisme.
Maar voor de moderne mens bestaat er niet langer zo’n tekst. De politieke denker en schrijver Fukuyama verwoordde deze ideologie in zijn boek The end of history and the last man (1992), toen hij schreef dat hij getuige was van het eindpunt van de ideologische evolutie van de mensheid.

Op taalkundig niveau werd dezelfde boodschap geuit door postmodernistische filosofen als Jacques Derrida. Zij stelden dat taal een gekunstelde constructie is met een vooraf bedachte coherentie die los staat van de werkelijkheid. Iedere taalconstructie is een door mensen bedacht systeem. Dit heeft tot gevolg dat iedere waarheid die beschreven wordt in deze taalstructuur niets met de waarheid buiten deze taalstructuur te maken heeft. Om dit toonbaar te maken, braken schrijver die zich op deze ideeën baseerden, hun teksten opzettelijk in fragmenten om te laten zien wat de taal werkelijkheid is: een stelsels van afspraken.
Deze taalexperimenten vonden veertig jaar geleden, en eerder, in Europa plaats. Sindsdien zijn er geen wezenlijke vernieuwers in de poëzie meer geweest. Hoogstens is de boodschap wat verfijnder geraakt.
Aangezien ik goed bekend ben met deze visie op poëzie, weet zulke poëzie mij vaak nog nauwelijks te boeien. In plaats van een vernieuwende tekst lees ik hetzelfde trucje, maar dan met andere woorden. Gezien het feit dat zulke bundels nog steeds uitgegeven worden, ben ik vermoedelijk een van de weinigen die dit vindt.

Maarten van der Graaff doet met zijn bundel Vluchtautogedichten zijn duit in dit zakje. Deel twee van deze bundel is getiteld de ‘Vrije Encyclopedie’, naar Wikipedia, de Vrije Encyclopedie op het Internet. Dit deel wil hier het tegenovergestelde van zijn. Helaas heeft hij niet voor het tegenovergestelde van vrij gekozen, maar voor het tegenovergestelde van Encyclopedie. Ik ben zeer benieuwd naar een Onvrije Encyclopedie. Ik denk dat daar wel het een en ander aan wezenlijke zaken over deze tijd in te vinden zijn.

Nu omvat dit deel talrijke pagina’s ogenschijnlijk onsamenhangende regels die alles willen zijn behalve een kennisverstrekkende encyclopedie.
Waar heb ik dat eerder gelezen? Bij het Cadavre Exquise van de Surrealisten? Bij de collagekunst van de Dadaïsten? Bij de écriture automatique van Yeats en anderen? Het is niet vernieuwend noch experimenteel te noemen.
Het eerste deel van zijn bundel bevat korte teksten die ook binnen het hierboven uitgelegde stramien vallen:

Uitbreiding

De bader draagt zijn kleren. Wie is hij?
Sla de maat, verlam. Of doe het daadwerkelijk.

De Internationale Vereniging voor de Studie van Pijn
breidt uit.
Niet je prooi zwermen: ruk de nummers van ziekten.
Het was weldadig om, ontdaan van een symbolisch kleed,
op een verfijnde manier
in zonlicht op schrijftafels te spetteren.
Nu ligt hij onder zure lakens.
‘Ik wil niet sentimenteel doen,’ brult hij,
‘maar dát waren nog eens tijden!’

Deze tekst staat bol van de suggesties, van de mogelijke associaties, en lijkt om een gedegen analyse te vragen. Tegelijkertijd kun je je afvragen wat het nut is van (alweer) zo’n tekst. Wat communiceert het? Wat doet het met de lezer? Waarom zou iemand dit willen lezen?
Op dit punt lijkt de poëzie soms te lijden aan hetzelfde autisme dat ook al jarenlang in de beeldende kunst rondwaart waar ieder werk ‘een maatschappelijke discussie op gang wil brengen’. Bijzonder weinige werken weten hier echter in te slagen. Een kunstenares als Tinkebell is hier een uitzondering op. En zij is een van de zeer weinigen. Wat betreft de poëzie schiet alleen de naam van Peter Verhelst mij te binnen als iemand die met deze opvattingen intrigerende bundels heeft geschreven.
Ik heb deze bundel dus van kaft tot kaft gelezen en de bundel heeft bitter weinig met mij gedaan. Er waren een paar teksten die mij wel aanspraken, zoals onderstaande, maar dat kwam vooral omdat ik zelf in Utrecht gestudeerd heb:

Gedicht voor Laurie Steinbusch

Met een heggenschaar in mijn hand stap ik naar binnen.
Ik ben voorbereid, zou je kunnen zeggen.
Dat dit alles in Lombok, Utrecht gebeurt,
heel duidelijk en zonder adem te verspillen,
is mooi.
’s Nachts hangt een raaf in zijn vlucht verstard,
wanneer jij de ochtend ruikt is hij vrij.

Ik ben verliefd op jou.
De lege auto’s in de straat weten dat niet.
Alle mensen die in Utrecht met elkaar in bed liggen
hebben hiervan niet het flauwste benul.
Meestal neem ik ze het niet kwalijk.

De Utrechtheid van deze ruimte strekt zich
loom voor ons uit. Veelgeurig en
nutteloos en licht.

***
Maarten van der Graaff (1987) publiceerde poëzie en proza in o.a. De Revisor, nY, De Brakke Hond, DW&B en Het Liegend Konijn. Hij is redacteur en medeoprichter van het online literair tijdschrift Samplekanon.

Geplaatst in Recensies.