Gedichten

 ADEM

I

Dag duif, die zich zo roekoeloos aan mijn voeten legt.
Je bent mooi vandaag. En grijs en warm.
Ik wou je zeggen: je veren kietelen als jonge katten
en je bek lijkt wel van zilver, zo zacht.

Neem me mee naar de overkant, m’n duif,
en toon me waar de donderkoppen wonen.
Zeg me waar ik zeepbellen vind
om in m’n haren te strijken. Maar ik zal je

niet geloven. Want mijn haar is lang en moe
en de dagen zijn als nieuwe bessen in mijn hand,
zich wentelend in het vroege, gouden licht.

En hoeveel langer kan mijn adem worden?
Zij strekt haar marmeren hand uit naar de dag
en zij groet en groeit.

II

Zilvergoten daken waarvan niemand ooit
zal vragen: was er melk of honing toen
of enkel kevers in de haag?

En loop van hier naar daar en zoek
de handen vol met boterkoek,
de zoete monden die vertellen waar
het vroeger groeide: dit onraad
en het donker, als een deken
onder het kinderbed.

Een nieuwe lach, een nieuwe tand,
een blad, een man, een vleugel,
een lucht.
Het voelt alsof de woorden
hier al lagen en ik alleen
het laken weghalen moet.

III

Is dit nu waar de morgen groeit?
Tussen schoorstenen en daken,
de veger en zijn hoed.

Ik zag de arme mannen, hun baarden,
hun zware handen, grote hoofden
en sterke kaken.

Ik zag hoe de straten hun bressen sloegen
in hun aders, breed als rivieren van noord
naar zuid, waarin de worstelaars waden,
de zonnevissers ’s avonds, of het zachte klateren
in het ochtendgloren.

De krakende worstelaars met hun rode knoken
en verbladerde knokkels, verpulverd onder de hamers
van de nacht. De gouden bel loeit voor de laatste keer
en de mannen ontploffen in het gutsend licht.

Als bizons beuken hun mokers van handen,
dag in, dag uit, tot de uren op hun huiden blinken.

DE BEWEGING

Nog meer dan het gonzende lichaam
dat blinkt in deze koude kamer.

Nog meer dan het lachen van een vrouw,
jong en vol onzin, maar geslepen
en rad van tong.

Nog meer dan het licht tussen mijn oren,
de geladen leegte na een bloedneus
of het prikken van een nieuw harnas.

Nog meer dan de eindeloze bast die staat
en blijft staan, geolied deint onder liefde.

Nog meer dan dit alles
is het de beweging die me stuwt
en verrast, die me hard en week maakt,
die me wakker schudt en streelt
met haar spannende spieren.

En na de beweging rest alleen nog de slaap,
die maar niet komen wil.

Geplaatst in Gedichten en getagd met .