Jan Baeke – Het tankstation op de route

Het tankstation van de poëzie

door Levity Peters

Hij riep heel wat vervelende ruzies in herinnering, Jan Baeke. Zoals ik wel vaker doe, zocht ik het titelgedicht van de bundel als eerste op, en had gelijk de smaak te pakken.

[…]
Laten we hierover ophouden
ik zeg laten we hierover ophouden
laten we verstandig zijn en het geluid
wat harder zetten
om iets te leren, om de avond te begrijpen
[…]

Daar kwamen heel wat onafgemaakte ruzies in herinnering, de knoop waarin ik mijzelf had gewrongen, omdat ik wel mijn punt wilde maken, maar de ander, die zich net zo onbegrepen voelde als ik (dat begreep ik ook wel), niet zo kwaad wilde maken dat –
En nu deed ik hetzelfde als Jan Baeke in zijn gedichten vaak doet: er was de gedachte aan die ervaringen, en ik was vertrokken. Van de vrouw aan wie ik het eerste dacht, kwam ik bij de volgende vriendin, haar verdriet; herinnerde mij dat ik Het tankstation op de route aan het lezen was, en bevond mij ineens op een nachtelijk parkeerterrein ergens in Frankrijk; al die mensen die even hun auto verlaten voor een kop koffie, een plas, die even de benen strekken, je passeren en voorgoed uit je leven verdwijnen. Naast je het continue geraas van de snelweg. Het gevoel dat overheerste was te leven in een soort vacuüm.
Je nam van alles waar, maar tot niets drong je door. En behalve wat je deed, was er ook niets dat werkelijk tot jou doordrong. En toch was het heerlijk.

Kijk hoe ik met u praat tussen twee flitsen door.
Vlees onder jurken
hommels die donzig voorbij zoemen.
Het is voor een lichaam veel te warm deze zomer.
[…]
Ik heb mij nooit neer kunnen leggen bij de gedachte
dat het denken alleen uit abstractie bestaat.
U daarbij aanraken is het overtuigende bewijs
dat mijn fantasie werkelijke vormen aanneemt.

(uit: ‘Een moment van charme’)

Hier is iemand aan het woord die ten gevolge van zijn onvermogen om diep tot de ander door te dringen, vooral waarneemt. En denkt. Die van de hak op de tak springend soms slechts flarden van allerlei zaken in zijn gedichten achterlaat, als een soort test – alsof hij zich niet wil laten vatten, of slechts door iemand die bereid is daar moeite voor te doen.

Ik kan mij voorstellen dat het lezen van Het tankstation op de route sommige lezers een opgave lijkt, maar ik ben er van overtuigd dat wanneer je het fragmentarische van veel gedichten in deze bundel vanuit bovenstaand gezichtspunt leest, er een emotionele ondergrond zichtbaar wordt die je niet koud kan laten. En die heel dichtbij ons aller alledaagse bestaan ligt.

Lees het eerste gedicht van de bundel:

HET IS AL GAUW GENOEG ALS JE ER WAT LANGER BIJ STIL STAAT

‘Een mens om in elkaar te zetten zou ik al genoeg vinden.’
‘Jij wilt ook altijd iets wat niet kan.’

Het was het moment dat we klaar waren met praten
van onszelf moesten horen wat hard is en donker

hoe een tak van de boom scheurde
een auto het hondje aanreed

een meisje van haar fiets viel en vier jongens
niet lieten zien of het helpen werd of lust.
[…]

In dit gedicht lijkt de dichter zich totaal buiten de werkelijkheid te willen plaatsen. Hij zou een mens in elkaar willen zetten die hij begrijpen kan, waarvan hij precies weet hoe die in elkaar zit. Zijn innerlijke wereld overheerst de uiterlijke, die hij hoofdzakelijk in zijn bedreigende vorm waarneemt; na de afgescheurde tak, het aangereden hondje, de dreiging van een verkrachting, waarvoor hij nogal wreed het woord lust gebruikt, volgt ook nog een kind dat ‘helemaal rood werd/van het bloed van de moeder’.
En de conclusie:

Wat de melodie op toon hield is de wetenschap
dat ze allemaal gelijk hadden

en dat dit onschuldige levens kost
wat ze allemaal betreuren.

Wie dit inziet kan geloven, zeiden soortgenoten
die een mens willen om in elkaar te zetten

en dat beter te doen dan anderen.

Ze hadden allemaal gelijk. Iedereen had zijn persoonlijke ervaring. Wie dat inziet kan geloven dat hij beter in staat is dan anderen een mens in elkaar te zetten. Ik kan hier niets anders lezen dan de behoefte om tot in de ziel van de ander door te dringen.
De menselijke tragedie is dat dit niet kan.
Bij gebrek aan beter draait de dichter zijn eigen filmpjes af.
Waarom genieten mensen eigenlijk van films? Omdat ze op die manier drama’s beleven zonder daarin betrokken te zijn. Om hun gevoel te laten raken, terwijl er niemand is die ze op dat moment persoonlijk raakt. Om het eigen, meestal kleinere drama van zichzelf te kunnen spiegelen aan dat van een film.
En film betovert: als hij goed is vergeet je jezelf, terwijl je tezelfdertijd heviger schijnt te leven.
Dat betoverende hebben nogal wat gedichten van Baeke:

HET MEISJE DAT IK ZAG

Het meisje dat ik bedacht leek mij
het meisje dat ik zag.
Is dit de volgorde?

Het wordt zomer, de bezetting
is de kranten in getrokken.
Zweet hangt ons aan, hangt voor de deur.
Nooit ver van onze dampende huizen
jodelen de bezorgers.

Ze brengen het water bij
wie bij het water wil zijn.
Ik wil niets anders
nu het meisje niets anders wil.

Ach, meisje, de zomer is een seizoen
om groot in te worden, een man te vinden
voor je ongeluk.

Ik zie haar in een stoel voor het raam
zoals ze de bezorgers vervloekt
en zegt ‘waar blijft het eten’
en haar lunch opeet.

[…]

Ik zie veel patiënten op een dag
toch herinner ik me, hier komen ze niet.
Ze laten mij met rust, ik was zo blij
de naam van de laatste te onthouden.
Zij zingt in de avond het asfalt kapot
rijdt dan op haar fietsje weg.

Wat is dit mooi!

Ik liet één strofe weg, de op één na laatste:

Slapen verwart. De bezorgers
hebben zich teruggetrokken
in de tuin, oefenen met scherp.
Ik heb de opstelling vervolmaakt

De bezorgers brengen de bezetting die de kranten is in getrokken bij je thuis.
En in de tuin oefenen ze met scherp. De vervolmaking van de opstelling.
Een opstelling wordt in de psychologie gebruikt om verhoudingen tussen mensen zichtbaar te maken. Militaire strategen schijnen ook met opstellingen te werken. Hier doet een dichter het. Het lijkt op de wens die hij had om een mens in elkaar te zetten. Wie is het meisje? De opstelling is er, wat nu? Hoe ontwikkelt of ontwikkelde het zich?

Net als de werkelijke stem, verraadt de poëtische stem van een dichter veel.
Zaken die je gemakkelijk als een stijlmiddel of een kunstje zou kunnen beschouwen, brengen je, als je maar goed luistert, vanzelf dieper in de gedichten. In bovenstaand gedicht zingt het meisje het asfalt stuk, en rijdt dan op haar fietsje weg. Je krijgt het gevoel dat de dichter geslaagd is om iemand uit het isolement van de bedreigende wereld te laten ontsnappen. Al is het maar voor een moment.

Als er Jan Baeke iets gelukt is, dan is het om in ieder geval mij te raken.

***
Jan Baeke(1956) is dichter en vertaler. Hij werkt voor Poetry International in Rotterdam. Van hem verschenen vijf dichtbundels: Nooit zonder de paarden (1997), Zo is de zee (2001), Iedereen is er (2004), Groter dan de feiten (2007, nominatie VSB Poëzieprijs) en Brommerdagen.

 

Geplaatst in Recensies.