Anouk Smies – Citaten van een roofdier

De transformatie van prooi naar roofdier

door Levity Peters

Elke kunstenaar streeft naar communicatie. Elke kunstenaar hoopt dat zijn of haar werk een brug kan slaan naar de ander. Soms heeft de kunstenaar een bepaalde persoon of groep op het oog. Soms is het een elitaire onderneming, soms een meer democratische. Soms laat de kunstenaar zijn of haar specifieke eigenaardigheden zien, soms ligt de nadruk op een bijzondere techniek; traditioneel, of juist vernieuwend.
Soms ligt de nadruk op het spel (zonder dat is kunst dood), soms ligt de nadruk op de inhoud. De kunstenaar wil inzichten/ervaringen delen.

Wanneer we de poëzie van Anouk Smies lezen, dan valt op dat ze niet op een brede groep lezers is gericht. Het is geen eenvoudige, eenduidige poëzie. Het eerste gedicht uit Citaten van een roofdier gaat zo:

Stilleven

Als een tandeloos orgel zei je:
Blijf.

Ik was woekering en lijf
gevangen in een daad
van cellofaan

Rollade
of wat daar na een goed gesprek
van overblijft

Een dun stuk touw, de flosdraad
van verraad

Soms ruik ik er wat aan
om je sporen te traceren

Soms kijk ik ook naar treinen
zie ze onbemand passeren

Het is een gedicht dat waarschijnlijk al associërend tot stand is gekomen. Het lijkt mij dat de dichteres alle ruimte laat aan rijm om een vorm te vinden die bij haar past, waarin zij een bepaald gevoel uit kan drukken. Dat ‘blijf’ gevolgd wordt door ‘lijf’, ‘flosdraad’ gevolgd door ‘verraad’, ‘traceren’ door ‘passeren’, lijkt mij geen gevolg van rationele overwegingen, maar van een soort intuïtief zoeken naar richting.

Het lijkt Anouk Smies vooral om dynamiek te gaan, om de energie die zij met woorden kan oproepen. Mijn bezwaar is dat ze het soms wel wat erg dik aanzet: ‘De flosdraad van het verraad’ – los van het feit dat ik niet kan zien op welk verraad zij doelt, is dit voor mij bepaald komisch. Dat het grote woord ‘verraad’ een flosdraad blijkt te hebben, het touwtje van een rollade; om restjes van wat dan ook, klem tussen welke wijd uitstaande tanden dan ook te verwijderen, lijkt mij niet de bedoeling van deze dichteres die de zaken met zoveel aplomb opdist, dat ik tegenover haar pogingen tot overweldiging alleen maar de vraag kan stellen: Waarom zo heftig? Waar heeft ze het over?

Laat vader maar

Hij wist niet meer
Vlees lokte
als zon

Een aarde ontstond
aan zijn driepotige
huid

Buit
werd gapend gat

Alle vrouwen in zijn leven
moeder
ex
dochter

vlochten tranen
Begroeven daden
in hun
gefusilleerde schoot

Alleen de dochter wurgde
wat eerder laf
klopte in haar

Trok hem mee
een afslag na de dood
in een nauw onherkenbaar graf

en legde zijn wellust bloot

Dit gedicht kan alleen maar over incest gaan. Maar het is expliciet en vaag tegelijkertijd. Zijn driepotige huid! (De drie benen van de man.) Buit werd gapend gat! De gefusilleerde schoot! En dan het raadselachtige einde: een afslag na de dood trok zij hem een nauw onherkenbaar graf in. Was het niet herkenbaar als graf? Wat was het dan, waarin zij zijn wellust bloot legde? Ik durf mij de vraag bijna niet te stellen.

Stoere taal:

Lam dat poten
door modder ramt

(uit: ‘Eengezinsverraad’)

Waaruit het verraad bestaat waar zij het in de titel opnieuw over heeft, is mij wel duidelijk: vader duikt herhaaldelijk seksueel duidbaar op. Soms, als in het gedicht ‘Vaders buidel’ zijn de associaties behoorlijk onaangenaam:

(..) Pleeg mij
want mijn daden
zijn verpakt in schuld
zoals ik ooit cadeautjes kreeg

Het zou ook haar agressieve taalgebruik kunnen verklaren. In plaats van: ‘Citaten van een roofdier’ zou je, om het gevoel van macht, kunnen lezen: ‘Citaten van een prooi die zich als een roofdier voordoet’.

Striptease

Blindengeleidehond van
vervlogen drift

en afgeschreven staal
Hoofd vol flarden
lichaamsgeur

Buitgemaakt en
uitgelekt substraat

waarmee ik je
kortstondig uitkleed
Borststructuur van zaad

Het klinkt vervelend, maar ondanks de ongetwijfeld integere intentie, kan ik veel van de gedichten van Anouk Smies niet anders omschrijven dan bombastisch.
Dat zij gevoel voor taal heeft staat buiten kijf. Dat zij lef heeft ook. Maar iets meer subtiliteit zou haar poëzie geen kwaad doen. En iets meer ratio. Er mogen/moeten vragen blijven. De manier waarop zij haar zinnen opbouwt, maakt ze vaak raadselachtig. Mooi. Maar je mag als lezer niet het gevoel van samenhang kwijt raken, je mag niet het gevoel krijgen dat er maar wat gebazeld wordt. Dan stort de brug die je naar de ander wilt slaan in.
Wanneer zij de brug wel weet te slaan, overrompelt zij met succes:

Ontwaken

Kom het bed in
met je belachelijk
warme mond

Zet de wekker
van mijn jeugd op 12 uur

Wij zijn de klap in het gezicht
van de nacht
die van schrik zijn sterren
op feestverlichting laat staan

Morgen schuiven we
de rij van het kreukvrije leven in

Achteraan

Prachtig! Ik geef mij gewonnen.

***
Anouk Smies (1975) publiceerde gedichten op Krakatau en de Contrabas en schreef poëzie en levensbeschouwelijke verhalen voor kinderen. Ze studeert Cultuurwetenschappen.

 

Geplaatst in Recensies.