Gerrit Komrij – Boemerang. Met drie nieuw gevonden gedichten

Mijn wangzak klaagt

door Joop Leibbrand

September 2012, twee maanden na zijn dood, verscheen Gerrit Komrij’s laatste bundel zoals hij in bijna voltooide vorm op zijn bureau werd aangetroffen. Een maand later werd hij al herdrukt en nu is er in een goedkope uitgave een derde druk, uitgebreid met drie gedichten die partner Charles Hofman uit de krochten van Komrij’s computer opdiepte.

In de schematische opzet van zijn bundel had Komrij ‘Ei’, ‘Intocht’ en ‘Erasmus’ al wel genoemd, maar ze waren in eerste instantie onvindbaar.
‘Ei’ lijkt een afgeronde tekst te zijn, ‘Erasmus’ schijnt ook af, maar blijkens enkele notities nog niet tot tevredenheid en aan ‘Intocht’ had nog verder geschreven moeten worden op basis van wat nu ‘fragmenten’ heet.

Johan Reijmerink gaf in zijn vorig jaar in Meander gepubliceerde recensie een mooie karakteristiek van Boemerang: ‘Deze bundel is met ware ‘doodsverachting’ geschreven, zoekend naar een wankel evenwicht te midden van het mysterie dat leven heet en dat zijn schaduwen uitstrekt tot ver over de grens van leven en dood heen. Je kunt de vraag over het leven na de dood nu wel van je af willen werpen, maar hij komt weer als een boemerang bij je terug.’
Reijmerink wees daarbij op Komrij’s grote vormkracht en diens beheersing van talrijke taalregisters, van archaïsch tot triviaal, in het altijd durende gevecht tussen schijn en wezen in toom gehouden door zelfironie en relativering.

Ik zou daarbij het sterk ambachtelijke karakter van Komrij’s poëzie nog willen benadrukken, wat mooi blijkt uit hoe hij kennelijk nog nadacht over ‘Erasmus’.

 

Erasmus

Waar medemensen zwart zien zie ik wit.
Ik wens het tegendeel van wat zij wensen.
Verdomd als ik niet tot de duivel bid
Wanneer god weer in trek is bij de mensen.

Daar is toch echt niet veel bijzonders aan.
Dat is gewoon een snuifje rebellie
Dat geen oppassend heerschap zou misstaan.
Ik lach als ik mijn medemensen zie.

Maar wat als heel de wereld grijs zou zijn,
Geen zwart, geen wit? Dat is mijn grootste vrees.
Dan was ik lam en had ik niet eens pijn.

Dan zag ik medemensen die nooit kiezen.
Dan lost de kamer op in het gordijn.
Dan raakt de wereld leeg. Ik zou bevriezen.

Het lijkt perfect, dit sonnet, maar in het sextet klopt het rijmschema niet, al is de formele afwijking op inhoudelijke gronden goed te verdedigen. Dat in regel 10 ‘vrees’ een weesrijm is, en dus geen weerklank vindt, versterkt daardoor die ‘grootste vrees’ nog eens maximaal. Dat het hem toch bezighield, blijkt uit een paar aantekeningen onder het gedicht, waarbij hij ook twee rijmklanken noteert: ‘eeg’ en als laatste ‘ees’.
Hoe het anders had gemoeten? Je zou er haast een wedstrijd over uitschrijven.
‘fragmenten’ bevat een aantal authentieke Komrijregels. Alleen de eerste al: ‘dwaalt door de donkere gang een godenzoon’. En wat te denken van deze fraaie strofe:
Mijn wangzak klaagt, een kyrie zingt mijn maag,
De weemoed zeurt door mijn gebeente. Treurig
Neuriet het laatste nekhaar in mijn kraag:
Een kerkhoflied. Weldra moet het gebeuren.
Alsof hij een strikt persoonlijke Halloweenact opvoert.
De tekst eindigt met drie losse woorden: rooskleurig / gestaag / de nederlaag.
Lees er gerust een postume triomf in.

 

Geplaatst in Recensies.