Klassieker 174: Pierre Kemp – Ritournelle

door Karin van der Raad-Doornik

Meander Klassieker 174

Pierre Kemp (1886 – 1967) was naast dichter ook een verdienstelijk kunstschilder. In ‘Ritournelle’ komen beide talenten mooi samen. Karin van der Raad-Doornik plaatst dit gedicht in de schijnwerpers: “het heeft muzikaliteit en ritme”. Bijna een songtekst.

Ritournelle

Het licht doet met me wat het wil,
of ik al ga, of ik sta stil,
of ik iets neem, of iets leg neer,
bij alles is het licht mijn heer.
Zo word ik, man, toch nog een vrouw;
ik die van rood houd, word een blauw;
ik die van dag wil zijn, een ding
van avond met in de schemering
een rode streep, die duidt op wind,
tot ik het licht van mijn eigen vind
en met mijn rood sla naar dat blauw
en ik mijn man graaf uit die vrouw.
Eerst dan word ik mijn eigen heer,
of ik iets neem, of iets leg neer,
of ik al ga of ik sta stil,
omdat mijn eigen licht dat wil.


Pierre Kemp (1886 – 1967)

Uit: Phototropen en noctophilen (1947)
Uitgever: A.A.M. Stols

Muziek en kleur bij Pierre Kemp
Pierre Kemp (1886-1967) debuteerde als dichter met een sonnet in De Limburger Koerier van 23 maart 1910. In 1914 verscheen, onder aanmoediging van de Jezuïetenpater J. van Well, zijn eerste dichtbundel. Tussen 1915 en 1916 werkte hij als leerling-journalist bij De Tijd in Amsterdam, maar door heimwee keerde hij gauw terug naar Maastricht (1).
Een groot deel van de muzikale en kleurrijke poëzie van Pierre Kemp ontstond in de trein. Bijna dertig jaar lang was Pierre Kemp ambtenaar bij de kolenmijn Laura en reisde hij op en neer tussen Maastricht en Eijgelshoven. In de trein schreef hij elke dag een kort gedicht. Vele daarvan kwamen terecht in uitgaven als Stabielen en passanten(1934), de bundel die ‘Kemps tweede debuut’ wordt genoemd, vanwege de lichtere toon en de speelse, bescheiden verzen, en Engelse Verfdoos (1956). In 1959 ontving Kemp de P.C. Hooft-prijs voor poëzie.
In een gesprek met Piet Calis, begin jaren ’60 (2) vertelde hij dat zijn voorliefde uitging naar muziek. Daarna kwamen voor hem de schilderkunst en dan de literatuur. In zijn poëzie nemen kleuren een speciale plaats in.
Pierre Kemp was naast dichter ook een verdienstelijk kunstschilder. In 1975 en in 2010 vonden exposities plaats in het Bonnefantenmuseum in Maastricht.

T. van Deel stelde een boek samen met gedichten over beeldende kunst en gaf het de titel van een gedicht van Kemp: Ik heb het Rood van ‘t Joodse Bruidje lief (Querido, 1988) Van Deel begint zijn inleiding als volgt:

Toen Pierre Kemp, voor het eerst in het Rijksmuseum, ‘Het Joodse bruidje’ zag hangen, was hij zo verrukt van het schilderij dat hij telkens terugkwam om het te kunnen zien. Pas jaren later heeft hij die overweldigende en sindsdien nooit verflauwde indruk opgeroepen in een gedicht. Hij was, schrijft hij dan, zonder het aanvankelijk te weten aan een levenslange ‘verkering’ begonnen, niet zozeer met het bruidje zelf, als wel met de kleur rood van het doek. Die noemt hij een ‘kleur voor alle tijden’, daarom kan hij zich, als hij ernaar kijkt, voorstellen naast de schilderende Rembrandt te staan, alsof geen eeuwen hen van elkaar scheiden.

Het gedicht
‘Ritournelle’ vond ik in Paul Rodenko’s Nieuwe griffels, schone leien (3) dat als bron de bloemlezing aangeeft die Adriaan Morriën van Pierre Kemps gedichten samenstelde, een bundel die een goede indruk geeft van Kemps veelzijdige en speelse talent (4). Het gedicht werd voor het eerst gepubliceerd in 1941 in het tijdschrift De Gemeenschap (5) en een aantal jaren later opgenomen in de bundel Phototropen en noctophilen (6). Uiteraard staat het in het Verzameld werk (7).

‘Ritournelle’ is een voorbeeld van een gedicht waarin Kemps voorkeuren voor muziek en schilderkunst terug te vinden zijn (8).
Allereerst de titel van het gedicht: ritournelle is in de Van Dale terug te vinden als ritornel, komt van het Italiaanse ritornello en heeft drie mogelijke betekenissen: refrein, terugkerend instrumentaal intermezzo en drieregelig volksliedje dat steeds herhaald wordt. In dit gedicht is ook herhaling en muzikaliteit.
Er zijn 16 regels waarvan regel 1 t/m 6 in min of meer gewijzigde vorm terugkomen in regel 11 t/m 16, in omgekeerde volgorde waarbij de laatste regel dus weer naar de eerste verwijst, waardoor het gedicht ‘rond’ is. Pierre Kemp hield van poëzie met een pointe aan het eind.
In het gedicht hoor ik een schilder spreken: een kunstenaar die een nieuw werk opzet, aarzelend, hij weet nog niet welke kant het opgaat: Het licht doet met me wat het wil(regel 1). Melodie en rijm lijkt in regel 2 en 3 vóór grammaticaliteit te gaan: of ik al ga, of ik sta stil,/of ik iets neem, of iets leg neer.
De schilder beheerst zijn onderwerp nog niet: een mannenfiguur wordt een vrouw, het rood verandert in blauw (regel 5 en 6):  Zo word ik, man, toch nog een vrouw;/ ik die van rood houd, word een blauw;

Hij wil iets in het daglicht brengen, maar het licht, zijn heer, maakt er iets van de avond van, tijdens de schemering; wellicht wordt hier verwezen naar het heure bleue, een moment net na zonsondergang als bij bepaalde omstandigheden de lucht en de omgeving een blauwe kleur aannemen. Van het rood is slechts een streep overgebleven.

Regel 10: tot ik het licht van mijn eigen vind/ is de sleutelzin en daarmee de wending in het gedicht. Nu gaat de schilder zijn onderwerp beheersen. Vanaf dit punt verandert de ‘ik’ van passief in actief: en met mijn rood sla naar dat blauw/ en ik mijn man graaf uit die vrouw (regel 11 en 12). Hier worden de elementen uit regel 5 en 6 op een andere manier herhaald.
Regel 13: Eerst dan word ik mijn eigen heer/ is een variant op regel 4 waarin de kunstenaar zich uitspreekt over zijn eigen creatie.
Regels 14 en 15 of ik iets neem, of iets leg neer,/ of ik al ga of ik sta stil, zijn letterlijke herhalingen van regels 2 en 3, waardoor de laatste regel: omdat mijn eigen licht dat wil een extra sterke bekrachtiging is: de schilder beheerst zijn onderwerp, het schilderij wordt zoals hij het bedoeld heeft.

Ondanks of misschien juist dankzij de eigenaardigheden als Het licht van mijn eigen (i.p.v. het licht van mijzelf) en de woordvolgorde in regel 2, 3, 14 en 15, zou dit gedicht best een liedtekst van Bløf of een andere hedendaagse popband kunnen zijn: het heeft muzikaliteit en ritme.

Pierre Kemp schreef eerder een gedicht onder vrijwel dezelfde titel en met vergelijkbare inhoud. Ook in ‘Ritornelle’ uit Fugitieven en Constanten (1938) staat het licht centraal:

Ritornelle

De maan gaat open
en de bloemen gaan dicht.
Een levensgrote bloem wil ik mij kopen
en een levensgroot licht,
om door die bloem te kijken
uit ogen zonder pijn
en het licht te zien lijken
op maneschijn.

____

 

Karin van der Raad-Doornik

 

1) Meer over leven en werk van Pierre Kemp bij Wikipedia en bij dbnl.
2) Piet Calis, Literaire vriendschappen en andere misverstanden, Meulenhoff, Amsterdam 2012 p. 24-26.
3) Paul Rodenko, Nieuwe griffels, schone leien, Bert Bakker / Daamen N.V., 5e dr. Den Haag 1960
4) Pierre Kemp, Een bloemlezing uit zijn kleine liederen, tekstverzorging Adriaan Morriën, G.A. van Oorschot, Amsterdam 1953. (Tweede druk 1984.)
5) De Gemeenschap, Jaargang 17 [p. 551]. De Gemeenschap, Bilthoven 1941.
6) Pierre Kemp, Phototropen en noctophilenHelikon jrg. 13, nummer 34. A.A.M. Stols, ‘s-Gravenhage 1947.
7) Pierre Kemp, Verzameld werk deel 1. G.A. van Oorschot, Amsterdam 1976.
8) Over de gedichten in Phototropen en noctophilen schreef Kemp aan Karel Reijnders: “De meesten zijn betrekkelijk autobiografisch, ze kunnen er tenminste toe bijdragen te vermoeden hoe die dichterlijke heer, die ik ben, zoo wat heeft geleefd.” (Wiel Kusters – Pierre Kemp. Een leven. Vantilt, Nijmegen 2010, blz. 455).

Geplaatst in Klassiekers.