Stefaan van den Bremt – Blauw slik

Gedichten voor Niemand

door Levity Peters

‘Veel dichters hebben nauwelijks nog oog voor de constructie van een dichtbundel. Niet zo Stefan van den Bremt. De manier waarop hij zijn bundel opbouwt, vertelt haast evenveel als wat in elk gedicht afzonderlijk te lezen staat.’ Aldus Luuk Gruwez, die geciteerd wordt op de voorflap van het door het uitgeversduo In de Knipscheer en uitgeverij P mooi uitgegeven Blauw slik.
Dat is voor mij een aardige rechtvaardiging om aan die constructie voorbij te gaan.

Plaats voor het standbeeld

Plaats voor het standbeeld,
gegoten uit zonlicht en regen!
Leg er geen bloemen neer
en sta niet stil, maak plaats
voor wat geen schaduw heeft.

Het is geen ruiter in de wolken
op een steigerend paard.
Hij zwaait geen bliksem of sabel.
Hij staat er onbewogen, staart
naar wat voorbij, voorbij moet gaan.

Als was jij lucht voor hem,
zo staat hij, onzer dagen zat,
op een voetstuk van aarde
in de steigers van de tijd;
een standbeeld voor Niemand.

En van niets. Zou ik eraan willen toevoegen.
‘Gegoten uit zonlicht en regen!’ Met uitroepteken. Niet niks dus, al blijkt het gedicht volgens de tekst daar toch wel over te gaan. Vanwaar de verwijzing naar ‘De ruiter op de wolken’ van Hubert Lampo? Een boek dat ik als vijftienjarige gelezen heb, waarvan ik mij vaag, heel vaag denk te herinneren dat ik het spannend vond, maar dat verder geen spoortje heeft achter gelaten. Net zo spoorloos als het ruiterstandbeeld dat ons hier door de dichter wordt voorgespiegeld: ‘in de steigers van de tijd’ (wat een poëtisch beeld!) ‘een standbeeld voor Niemand’ – zonder uitroepteken, maar met een hoofdletter.
Zou het God zelf zijn aan wie het cadeau wordt gedaan? Dan zijn we in de contreien van de mystiek beland. De leegte is glashelder.

Zonnekeerpunt

Nooit was het hier zo helder. Uit het veld
geslagen graven zich de donkere dagen in.
Hun schaduw reikt tot in de verste uithoek
van het najaar. Voller is de maan nergens
dan waar de zon dreigt stil te staan
en waar onrust zich niet wil laten onder-
sneeuwen. Geen licht was ooit zo winterhard.
Wij staan gebrandschilderd op lucht in lood.

Dat is toch wel erg mooi geschreven.
Maar waar gaat het over? Zeer helder, hard licht; zoveel is mij duidelijk. Maar die laatste zin stelt mij voor een raadsel. Er gebrandschilderd uit te zien, dus fel gekleurd tegen een loodgrijze lucht, dat kan ik mij voorstellen. Op lucht in lood niet. En die donkere dagen daar met hun schaduw: is het, aangezien die schaduwen tot in de verste uithoek van het najaar reiken, morgen al voorjaar? De maan is blijkbaar nergens zo vol, als waar de zon stil staat. Precies daar, en dreigend nog wel.
De donkere dagen zijn uit het veld geslagen, en ik ben dat ook een beetje.

Lentenachtevening

Nu breekt het licht dat wit en warm is als brood.
Hoe gauw wordt het nu oud en hard.

Je kunt het licht proeven. In de eerste regel is het licht als brood. Maar in de tweede is het brood. Hard licht ken ik, maar oud licht niet, wel oud brood. Het is naar mijn idee hetzelfde gebrek aan precisie dat Zonnekeerpunt kenmerkt. We gaan verder:

Eet nu niet, drink niet. Ga niet slapen!
Vreet dat licht uit eer het bestorven is.

Je vraagt je af hoe je dat licht moet uitvreten (op andermans zak teren) en waarom, voordat het bestorven is, maar we hebben de tijd. We gaan richting slot:

Duister maalt aarde met zijn molensteen.
Blauwgrauw het slib dat krimpt en barst.

Maalt nou het duister, of maalt de aarde? Gezien de tweede regel moet het wel de aarde zijn. Ik word er onzeker van. De dichter is ook zo gebiedend! Eerst in het gedicht over dat Beeld van niets voor Niemand: ‘Leg geen bloemen neer/ en sta niet stil’ – En nu mag ik niet eten, drinken, slapen, voordat ik het onbestorven licht uitgevreten heb!

Hij heeft iets met uitvreters, Van den Bremt. In het raadselachtige gedicht ‘Oogst’ blijkt hij niets van ze te moeten hebben:

Wie zal het koren in de schuur rijden?
Wie zal de aren lezen, en wie schrijven?
Wie zal de volle scheiden van de ijle?

En laat de uitvreters buiten blijven.

Met die eerste zin zal hij wel bedoelen: wie zal het koren de schuur in rijden.
De aren lezen behoort tot de Bijbelse connotaties waar zijn gedichten mee overladen zijn. Over schrijvers heeft De Heilige Schrift het bij mijn weten nergens.
Wie de volle van de ijle zal scheiden? Geen idee, noch waar hij het over heeft.
In de bijbel worden bij het laatste oordeel de schapen van de bokken gescheiden. Daar zal hij wel op dichterlijke wijze op doelen; de goeden van de slechten, de zondaars van de zaligen.

Wanneer je, als Stefan van den Bremt, al zoveel jaren poëzie schrijft, is waarschijnlijk het grootste gevaar dat je op de automatische piloot gaat. Je ziet dat bij vrijwel elke oudere dichter gebeuren. Wanneer je teert op de status die je vroeger had, en wanneer je geen uitgever hebt die je even wakker schudt, dan verschijnt er een bundel als Blauw slik.
Niet dat alles nu gedachteloos of automatisch ontstaan zou zijn; de dichter schrijft (in ‘Vraag en antwoord’) bijvoorbeeld over ‘het ravijn van de geschiedenis’. Waarschijnlijk bedoelt hij – op een mooie manier samengevat – dat de geschiedenis zoals hij plaatsvond grotendeels onachterhaalbaar is verdwenen.
Een materieel beeld:

Bloeiende seringen, witte, lila, paarse
trossen waarvan de bloei de lucht
in hinkelbanen doet verspringen,

(Uit: ‘Winteruitdrijving’)

Ik zie het beeld dat de dichter schiep; de gaten die tussen de dansende trossen vallen, weer dichtvallen, open, enz. Maar iets verder in het gedicht maakt hij me weer verlegen met iets dat ik niet ken:

irissen die door
het dolle van geur en kleur
de neus doen krullen,

En daar ben ik dan weer blij mee: een gekrulde neus is geen schoonheidsideaal. Wellicht is het een traditionele of volkse uitdrukking, dat kan. Maar zo gaat het steeds; mooie beelden soms, mooie zinnen in gedichten die dan, mijns inziens, helaas toch ontsporen.
Laat ik eindigen met de laatste regels van ‘Zeggen en zijn’. Ook hier weer de Bijbelse connotaties brood en wijn, maar ook hier weer gaat hij daaraan voorbij richting mystiek, of zo je wilt Zen.

Vóór ons het vergezicht
van wie het uitzingt in een godentaal,
de taal van wie bestaat uit honger
niet alleen naar brood, uit dorst
naar meer dan wijn: naar zijn.

Zijn.
Dat is waar het niet alleen bij dichters om draait.

***
Stefaan van den Bremt (1941, Aalst) debuteerde als dichter in 1968 onder het pseudoniem Stevi Braem met Sextant en publiceerde daarna nog zo’n twintig titels, waaronder Andere gedichten (1980), Het onpare paar (1981), Een vlieg met gouden vleugels (1997) en Stemmen uit het laagland (2001). In 2002 verscheen de verzamel­bundel In een mum van taal en in 2009 Voegwerk.
Naast dichter is Van den Bremt ook essayist en poëzievertaler, voornamelijk uit (en in) het Frans, Duits en Spaans.

Geplaatst in Recensies.