Peter Verhelst – Wij totale vlam

Het onstuitbare verlangen naar eenheid

door Levity Peters

Ha, impressionist!, dacht ik na lezing van Wij totale vlam, al deed die titel eerder aan het expressionisme denken. ‘Wij vlam’ was niet voldoende, ‘totale’ diende het te versterken. Dacht ik toen nog. Maar impressionistisch dus, met vreemde trekjes. Een soms zelfs beeldloos impressionisme:

HOE VOEL JE JE VANDAAG?

Eigenlijk kun je alleen maar wachten
Elke dag is meegenomen
Je vraagt je elke seconde af of hij het zal halen
Je wilt niet, na alles wat gebeurd is, dat het zo zal eindigen

Hij zal elke dag wakker worden door de zon en nutteloos aan de rand van de krater
staan, duizenden kilometers van huis

We weten het ook niet meer

Er is geen knop die je aan en uit kunt zetten

We blijven geloven dat zijn belangrijkste missie nog moet komen

Wat is er in godsnaam verkeerd gegaan

En toch blijft het een wonder

Wie had dit enkele jaren geleden voor mogelijk gehouden

Dit gedicht is een soort psychogram. Iemand zit ongerust te peinzen over iemand van wie hij niet weet waar die is. Hij is naar binnen gekeerd, maar blijkbaar niet alleen. Ze kunnen niet ophouden met tobben, het maalt maar door in hun hoofd. Maar dan weten ze hun onrust te temperen door de vermiste in de toekomst te plaatsen: ze blijven geloven dat zijn belangrijkste missie nog komen moet. De zekerheid dat de werkelijkheid een mirakel is dat zij nooit voor mogelijk hielden, tilt hen, in ieder geval voor even, boven hun zorgen uit. Het leven is voor een moment weer als betrouwbaar geënt.
Het is het tweede gedicht uit de reeks ‘BLIJF’.

Moet je een bundel als deze niet eigenlijk van A tot Z lezen om te doorgronden wat de dichter bedoelt? Ja, natuurlijk. Maar ik weet dat zo’n bundel niet chronologisch ontstaat. Al is er wellicht een plan, de uiteindelijke bundel wordt pas op basis van een hoeveelheid gedichten samengesteld. En al staat een gedicht binnen een reeks, het moet ook op zichzelf kunnen staan. Dat doen de gedichten van Verhelst zeker.
Ik pikte er werkelijk willekeurig een uit; alleen al door het gedicht dat ik geciteerd heb, en door wat ik nu wil laten lezen, weet je dat deze bundel over de dood gaat; het einde, het verzet ertegen, het gevecht ermee. De dood en de hoop dat er iets voortbestaat, de hoop dat het einde geen werkelijk einde is, en dat je datgene wat je het liefste is, mee kunt nemen – Dat liefde eindeloos is:

ER IS GENOEG

Alles gaat goed met me. Er is genoeg voor maanden.

We roken een laatste sigaret
nu de avond eindelijk mild en met sterren bezaaid en je met je wijsvinger
ijsblokjes raat rinkelen in een glas, alsof je wijsvinger…

Gaan we nog één keer naast elkaar in het gras liggen? Weet je nog?

Wat dacht je de eerste keer dat je me zag?

…alsof je je wijsvinger door een spiegel steekt.

Zo ongelofelijk teder vanavond.

Ik dacht. Hoe glimlacht ze? Hoe zouden haar ogen breken? Dacht ik.
Hoe dun – bijna melkblauw – de huid over de ogen. En ze breken

zoals ik had gehoopt. Alsof je je wijsvinger door een spiegel kan steken
en aan de andere kant iemand je (almaar sneller rennend) achter zich aan
trekt tot je voeten de grond niet langer raken.

Zoveel sterren. Van zoveel sterren. Je gezicht staat van de mogelijkheid
alleen al in brand.

Is dit niet heel erg mooi? Het ontroert me. Verhelst heeft de neiging om de eventuele romantiek die opduikt direct te confronteren met een kwetsbare of onsmakelijke en afstotelijke werkelijkheid. Geweld. De enige manier waarop ik dat kan duiden is als antidotum. Laat je niet door geluk verblinden, het tegendeel is er ook. Maar het gaat verder: er spreekt uit de gedichten van Verhelst zo’n sterk verlangen naar eenheid, naar de opheffing van alle tegendelen, van wat geliefd is met wat aversie oproept, dat dat weleens de drijfveer zou kunnen zijn van zijn poëzie, en de basis van het bewustzijn van pijn dat uit vele gedichten spreekt. Van verdriet.

Ik begin aan het einde van ‘… NOOIT WAS EN ZAL ZIJN’, de voorlaatste afdeling, die in haar geheel bestaat uit het gedicht ‘Welk verlangen of welke gedachte ook‘.
Ho!, dacht ik aan het begin van dit lange gedicht, Holi Phagwa! In een van de eerste regels kwam ik het tegen, en ik had geen behoefte om te gaan uitzoeken wat dat betekent. Daarom sloeg ik de eerste pagina maar over, zocht de laatste op, en was direct geboeid:

Ontroostbaar

De streepvormige pupil van een gems

Het detail waar het op aankomt
Een seconde lang

Een vlies over een oog

Het goedje op je tong

De schokken die door je heen trekken

Het firmament met zijn nieuwste hiërogliefen

Het zachte kermen van de wind
Het klapperen van de deur
Het kleine bloeden van
Het tranen van
Het traag sluitende ooglid van
Het walmen van verlangen naar verlangen naar
Vormen van verlies in een eindeloze zucht

Ik geloof dat we uiteindelijk naar een plek gaan waar het goed is

Liefste
Ooit

(De stilte na de sneeuwstorm, de veelkleurige plassen na de Holi Phagwa, de verkoolde boomstammen na de bosbrand)

Als uiteindelijk ook een zon als die van haar aan zijn einde is gekomen
Zal ook een einde komen aan al onze vragen

Op die laatste twee regels na is het een prachtige ritmische reeks indrukken, die iedereen zich kan voorstellen, ook waar de zin niet wordt afgemaakt, ook al weet je niet wat die ‘Holi Phagwa’ behelst. Dat is wat ik bedoelde met ‘impressionisme’.

Hierna volgen als slot van de bundel nog de twee gedichten van ‘WIJ(2)’:

Stel dat ik, tegen beter weten in, toch de plek vind, de plek waar we de naam nog niet van kennen – misschien duurt het langer dan een mensenleven om er te komen. Maar stel dat ik het ben, dat ik de plek vind, die ene plek, hoe zal ik jou dan laten weten waar die is, en stel dat zoiets lukt, zul je mij dan weten te vinden?
Zal er iemand zijn aan wie ik kan vertellen waar ik ben, hoe het hier is, zo moeilijk om onder woorden te brengen hoe gelukkig ik ben.
Zal er ooit iemand zijn die – alsof hij aan dezelfde ziekte lijdt – zonder woorden zal weten wat ik bedoel?

*

Ik weet niet of ik zal terugkeren, hoe of wanneer dat zal zijn, ik weet niet wie ik zal
zijn geworden, wanneer ik op een ochtend weer thuiskom, en wat er van jou zal zijn
geworden.
Zullen we elkaar na die tijd nog herkennen?

Dat het over een innerlijke reis gaat zal duidelijk zijn.
Dit slotdeel sluit aan op de laatste twee regels van het vorige. Hier is een man aan het woord die zijn geliefde, die hem gelukkig maakt, de plek van dat geluk zou willen wijzen. Wij, totale vlam: zo onscheidbaar zijn.
Hij verlangt de begrenzing tussen hen op te heffen, tegen beter weten in. Bij teruglezing blijkt de hele bundel in het teken te staan van dat verlangen naar eenheid: Er wordt door herinneringen gereisd, door hem en zijn geliefde worden tochten door de barre natuur gemaakt, door ruimte en tijd. Een ruimtereis schept de noodzakelijke afstand, ook qua sfeer, om anders naar het aardse, het menselijke bestaan te kijken. De tijd probeert hij op te heffen door indrukken te verzamelen, van haar, van hen; voor altijd. In deze poëzie voert hij strijd met zijn onvermogen om ‘totaal’ compleet te zijn. Een onmachtige maar prachtige poging om vast te houden wat van belang zou kunnen zijn, wat vonkjes schoonheid die het leven zouden kunnen laten oplaaien. Voorgoed, of in elk geval voor lang(er). Deze poëzie is een poging om zichtbaar te maken wat alleen woordeloos uit te drukken is, door te zijn. Maar is de ander daar ook?

In de titel geeft hij de bevestiging. Ik heb Wij totale vlam gelezen als een ode aan het leven, aan de liefde, en aan alles wat daarmee in tegenspraak lijkt.

***

Peter Verhelst (Brugge, 1962) schrijft proza, poëzie en theaterteksten. Hij debuteerde als dichter in 1987 met Obsidiaan, waarna nog een tiental bundels volgde. Zijn bekendste roman is Tongkat (1999), dat hem onder andere de Gouden Uil en een nominatie voor de Libris Literatuurprijs opleverde.
Voor zijn dichtbundel Nieuwe sterrenbeelden (2008) ontving hij de Herman de Coninckprijs en Jan Campertprijs.

Geplaatst in Recensies.