Peter Drehmanns – Graafschade

Alles voorverpakt

door joop Leibbrand

Op de achterflap van Graafschade wordt vermeld dat Peter Drehmanns twijfelde of hij zou deelnemen aan de reünie van zijn ‘klas van 1971’, een zesde klas op de katholieke jongensschool in het Limburgse Haelen. Hij besloot uiteindelijk niet te gaan, maar de reünie te gebruiken als uitgangspunt voor een dichtbundel waarin hij alle 38 leerlingen en hun onderwijzer portretteert als degenen die zij in de verstreken veertig jaar geworden zijn. Op hemzelf na krijgt ieder een andere naam, maar onduidelijk blijft of Drehmans, uitgaande van wat hij nog van vroeger weet, de levens van zijn klasgenoten grotendeels of zelfs geheel verzint, of dat hij zich aan de realiteit houdt zoals die gekend kan worden. Voor beide opties valt iets te zeggen, want voor reünies plegen reünieboeken te worden samengesteld waaraan iedere deelnemer zijn eigen verhaal bijdraagt en het zou zo maar kunnen dat de afwezige Drehmanns toch een exemplaar bemachtigde en zich daarop baseerde.
Hoe dan ook, en verzonnen of niet, alle personen – veel sappelaars en ploeteraars – zijn levensecht getekend, waarbij de gedichten een min of meer vast stramien volgen: welke herinneringen heeft iemand aan zijn schooltijd, wat volgde er aan opleiding en maatschappelijke carrière, hoe ging het privé en hoe ziet het leven er nu uit. Het is als pure anekdotiek geen grote poëzie, daar blijft de verbeelding ook te beperkt voor, maar het is wel zo goed en afwisselend geschreven dat het de belangstelling vasthoudt.
Er zijn personages bij die je niet snel vergeet. Ex-slager Sjeng Schreurs bijvoorbeeld, ‘jarenlang met uitbeenmessen in de weer/ bloedworst was wat ik het liefst maakte’, die zijn leven anders ziet verlopen dan hij gewild had:

alles voorverpakt voorgesneden voorgewogen
dat willen ze nu en mijn vrouw wilde
ineens ook wat anders dan
een man met beestenbloed onder de nagels

ik moest sluiten wegens omstandigheden
en omgeschoold kwam ik terug
als uitvaartverzorger want van de dood

Alle gedichten zijn in de ik-vorm gesteld, behalve het gedicht waarin Drehmanns het eigen ik tegen het licht houdt en dat niet spaart:

[…]
daarna groef hij tijdenlang
zijn eigen graf (drie dynastieën diep)
viel in de bouwput van zijn luchtkasteel
wiegde zichzelf
dood met tere meisjes
en draaide zijn dromen
grijs

Aan de portretten gaat het gedicht ‘Exclave’ vooraf, waarin de dichter de desolate plek bezoekt waar ooit de school stond. Het is (en vandaar de titel) inmiddels vreemd grondgebied geworden, ‘bedekt met gras/ waarin hondenpoep nablijft/ […]/ en waar geen kind nog groeit’. Het lijkt te gelden voor de hele schooltijd.

Graafschade besluit met een portret van de inmiddels overleden klassenonderwijzer, hier Menten geheten. Dat meester, die in een tweetal gedichten al eerder genoemd werd, de naam meekrijgt van een oorlogsmisdadiger is misschien wat zwaar aangezet, maar dan had hij er maar niet jarenlang met de liniaal op los moeten slaan en later de meisjes, toen die de school inkwamen, niet zo onfris moeten benaderen.

Met vroegtijdig pensioen ging ik,
liet de leerlijnen los
met klam hart en bloedende handen –
het had nooit mogen gebeuren.

In een Verantwoording schrijft Drehmanns dat als er een bepaalde naam herleidbaar zou zijn tot een bestaande persoon, dit berust op puur toeval. Misschien heeft deze meester inderdaad nooit bestaan, maar iemand moet die zesde klas van toen toch bemand hebben. Zou Drehmanns soms bedoelen dat er in iedere (hoofd-)onderwijzer een Pieter Menten schuilt? Dat is schrikken…

***
Peter Drehmanns (1960) schreef literaire kritieken voor Vrij Nederland en NRC Handelsblad en is de auteur van negen romans, een verhalenbundel en de dichtbundels Hedendaags reisadvies (2011) en Onder nog onopgehelderde omstandigheden (2012).

Geplaatst in Recensies.