Kreek Daey Ouwens – Blauwe Hemel

Woorden en stenen die in elkaar overgaan

door Wilma van den Akker

Ze heeft er geen moeite mee, Kreek Daey Ouwens. In Blauwe Hemel gebruikt ze al die woorden die de meeste ervaren dichters proberen te vermijden en waarvan de ervaren poëzielezer jeuk krijgt. Pijn, tranen, huilen, verlies, ze komen allemaal voorbij. Rouw en verlies zijn de hoofdthema’s van deze bundel en van eerder werk. Ze neemt er geen afstand van, maar ze brengt ze zorgvuldig en fijnzinnig onder woorden. Hier en daar combineert ze haar ‘vertellende’ stijl met een krachtig beeld, zoals een gezicht weerspiegeld in een lepel of een uitgerekte haas, die een misverstand opheldert.

Ik was een eenzaam kind. Ik speelde al-
leen. Met een stok trok ik strepen in
het grint. De strepen werden een huis.
Beesten. Een vogel. Als ik klaar was,
veegde ik met mijn schoenen alles weer
weg. Soms ging ik bij een van de knecht-
en zitten, een zwijgzame man, die mij
kort groette en dan doorwerkte. ‘Hij is
aardig,’ dacht ik. ‘Hij zegt niets tegen
mij, om mij niet te laten denken dat hij
last van me heeft.’ Op een dag hing de
man een haas op aan een boom. Als een
haas wordt opgehangen, wordt hij steeds
langer. Hij wordt enorm. Hij begint te
schokken. Hij heeft stuiptrekkingen.
Toen hij niet meer bewoog, maakte de
knecht hem los, hij zei: ‘ Die krengen
worden met de dag brutaler!’ Sindsdien
ontweek ik de man. Ik kwam zelfs niet
meer in zijn buurt. Ik geloof niet dat
hij er verdriet van had.

Bij een andere manier van regels afbreken zou dit een ZKV geweest zijn, een zeer kort verhaal dat raakt. Proza en poëzie lopen bij Daey Ouwens in elkaar over, als de woorden en stenen in de losse regel op pag. 40 van deze bundel. Het perspectief wisselt regelmatig, van de ik-figuur die zich tot ene Larissa wendt, tot meneer en mevrouw Danie en ook van het kind dat drie wordt op pagina 41. De gedichten hebben geen titels.

[…]

Ik kan niet slapen zonder mijn beer.
Telkens voel ik met mijn hand, of hij nog
naast me ligt.

Mijn mama. Ik vind het leuk op haar schoot
te klimmen, mijn handen voor haar ogen.
‘Rara… wie ben ik?’

Over de kelderdeur kruipen oranjerode slakken.
.

Onder geen beding wil ik later groot worden.
Eerder maar niets.
Altijd alleen maar mijn mama.

Ik ben voor niemand bang.

Als ik dit fragment lees vanuit het kind dat verloren is, overstijgt het het anekdotische en kruipt het onder mijn huid.
Er is weinig troost te vinden in deze bundel. Pagina 63 eindigt met […] Liefde bestaat / niet. // en op pagina 64 staat alleen: // Niet. //
Mag ik dan een klein beetje hoop putten uit pag. 66?

Totdat hij helemaal is opgeknapt, gaat
mevrouw Danie mee boodschappen doen.
Ze steekt haar arm door de zijne, ze
drukt zich tegen hem aan, ze zegt:
‘Wij.’ ‘Wij hebben het goed.’ ‘Wij
hebben de tijd.’ Wat ze eigenlijk
zegt is: ‘Jij. Jij doet mee. Je hoort erbij.
Zonder jou gaat het niet!’

Dit gaat toch over liefde, of toch over afhankelijkheid? Treurigheid is overal, maar je went eraan, concludeert de dichter. Dit is een bundel voor wie niet bang is erdoor geraakt te worden.

Geplaatst in Recensies.