Gedichten

1.

Tien gedichten in een maand schrijven
is niet veel al zou dit gedicht
nummer elf kunnen worden.
Ook de onderwerpen lijken op elkaar
of liever gezegd er is maar een thema
en dat heeft als thema het thema, zoals in dit gedicht.
Hiermee geef ik aan hoeveel er overblijft
op deze zijde van de pagina
voor wie aanklopt en niet naar binnen kan
en ook niet binnengelaten moet worden. Schrijven
is niet een spiegel waarin men kijkt
maar eerder het matglas van een douchecabine
waarachter het lichaam zich inzeept
en slechts een schaduw zichtbaar is
onzeker maar reëel.
Door het glas heen zie je niet wie zich wast
maar slechts de gebaren van een lichaam.
Waarom zou je dus naar het filigram kijken
om te zien of ik een imitator ben
en alleen het filigram
door mijn hand is gemaakt.

Dieci poesie scritte in un mese
non è molto anche se questa
sarebbe l’undicesima.
Neanche i temi poi sono diversi
anzi c’è un solo tema
ed ha per tema il tema, come adesso.
Questo per dire quanto resta di qua della pagina
e bussa e non puo entrare,
e non deve. La scrittura non è specchio, piuttosto
il vetro zigrinato delle docce
dove il corpo si sgretola
e solo la sua ombra traspare
incerta ma reale.
E non si riconosce che si lava
ma soltanto il suo gesto. Perciò che importa
vedere dietro la filigrana,
se io sono il falsario
e solo la filigrana è il mio lavoro.

2.

Vlak voor de laatste bocht van de dag
reik ik naar woorden om mee te slapen:
‘s avonds nemen ze logge en compacte vormen aan.
Hun functioneren wordt gemeten
als bakstenen op een rij zetten ze zich vast
in het witte cement van de pagina.
Het is alsof een muur neerdaalt van bovenaf
en tekens langzaam vorm aannemen.
Er is geen raam of kier
maar met verfijnde precisie
worden ze samengevoegd tot een geheel.
Ik zou willen dat er maar één beeld bestond
een bloem in de knop
die standhoudt en dicht blijft
een knop die de hovenier afplukt en aan zichzelf geeft.

Prima dell’ultima curva del giorno
colgo delle parole con cui dormire:
nella sera esse riprendono le vesti pesanti e accorte.
Il loro andare è misurato
e come mattoni allineati s’incastonano
nella bianca calce della pagina.
È un muro che scende dall’alto
il lento trascorrere del segno.
Non c’è finestra o spiraglio
ma preziosa e gremita
cura del fitto unire.
Vorrei fosse un’unica figura
la gemma che ancora dura e chiusa
il giardiniere stacca e si regala.

3.

Je zou aan het slot van ieder boek
een kaartje moeten maken. Niet een index,
maar een plattegrond van de onderdelen
waarmee de fundamenten
de verschillende ingangen, de keuken en het toilet
en de aparte ruimtes beschreven worden.
Daarnaast zou je ook een opgave
van capaciteit en kosten moeten maken
waarmee je uitlegt
hoe de onderhoudskosten in de loop der tijd toenemen.
Zo zou je de constructie van het souterrain
blootleggen en de ruimtes afgedekt
door de wandbekleding van de pagina kunnen weergeven.
Vooral belangrijk om te weten:
om wat voor soort en welke hoeveelheid materiaal gaat het
(hout, steen, buizen, cement)?

Bisognerebbe fare alla fine d’ogni libro
una piantina. Non un indice, piuttosto
una planimetra delle sue parti,
descrivendo le fondamenta,
i suoi diversi accessi, le stanze,
i servizi e i disimpegni.
Bisognerebbe precisarne anche
la capienza ed i costi, spiegando
l’ammontare della mantenuzione nel tempo.
Svelare cosi l’ossatura del cantiere,
le sue membra nascoste
dal parametro della pagina.
Soprattutto sapere: quale
e quanto il materiale
(legname, pietre, tubature, cemento)?

4.

‘s Avonds wanneer het licht schaars is
en ik mij in bed verberg
volg ik contouren van gedachten gangen
die stilletjes over mijn ledematen bewegen.
Hier moet ik het gobelin
van mijn gedachten weven
met handgemaakte draden
beschrijf ik mijzelf.
Dit noem ik geen werk, maar een bewerking.
Eerst van het papier, daarna van het lichaam.
De vorm van gedachten tot leven wekken
en vervolgens op maat frezen.
Ik denk aan een kleermaker die zijn eigen stof is.

Di sera quando è poca la luce,
nascosto dentro il letto
colgo i profili dei ragionamenti
che scorrono sul silenzio delle membra.
È qui che devo tessere
l’arazzo del pensiero
e disponendo i fili di me stesso
disegnare con me la mia figura.
Questo non è un lavoro
ma una lavorazione.
Della carta prima, poi del corpo.
Suscitare la forma del pensiero,
sagomarla secondo una misura.
Penso ad un sarto
che sia la sua stessa stoffa.

5.

De pen glijdt af
naar de lies van de pagina
en in stilte krijgt het schrijven vorm.
Deze bladzijde heeft de geometrische
omtrekken van een land op het Afrikaans continent,
waar ik een rij parallelle rijen duinen neerzet.
Tijdens het vertellen schets ik
en al vertellend krijgt het vorm.
Alsof er een wolk aan komt drijven
die de vorm van een wolk aanneemt.

Scivola la penna
verso l’ínguine della pagina,
e in silenzio si raccoglie la scrittura.
Questo foglio ha i confini geometrici
di uno stato africano, in cui dispongo
i filari paralleli delle dune.
Ormai sto disegnando mentre racconto ciò
che raccontando si profila.
E’come se una nube arrivasse ad avere forma di nube.

6.

Ideeën moet je zien als kazen
je laat ze koken en rijpen voor later.
Wanneer je het deksel van de rieten mandjes
afhaalt, glanst er een wit oog
in het midden van de romige substantie.
Rondom wordt wei afgegoten
een vlechtwerk van pijnboom naalden filtert het geheel,
terwijl de melk luidruchtig in emmers klettert.
Dit is een klus voor later op de avond
wanneer de honden blaffen
en het buiten afkoelt,
terwijl de ricotta nog warm is en helder oplicht.

Bisogna riflettere sulle idee
come fossero formaggi
e farle bollire e farle
fermentare. Quando il coperchio
di vimini è tolto
l’occhio della crema
luccicherà bianco.
Molto siero è versato attrorno,
aghi di pino si intrecciano
per filtrare e il latte
scorre tuonando in fondo ai secchi.
È un lavoro serale questo,
devono abbaiare i cani
e l’aria farsi fredda
e calda la ricotta e chiara.

Uit: Ora serrata retinae, Valerio Magrelli Poesie (1980-1992) e altre poesie (Einaudi, 1996)

Geplaatst in Gedichten en getagd met .